Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 juli 2020
Enquête: bevel tot afgifte witness statement door bestuurder als onmiddellijke voorziening
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure verzocht een vennootschap de OK haar bestuurder bij onmiddellijke voorziening te bevelen een witness statement af te geven voor een procedure in Hong Kong. De A-G concludeert dat de bestuurder partijgetuige is en niet kan worden gedwongen te verklaren. De algemene bestuurdersnormen van Boek 2 BW en artikel 6:162 BW bieden daarvoor onvoldoende grondslag. Een dergelijk bevel valt bovendien buiten de doelstellingen van artikel 2:349a lid 2 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Uit de parlementaire geschiedenis van art. 164 Rv blijkt dat de wetgever het aan de rechtspraak heeft overgelaten om te bepalen wie als partijgetuige kan worden aangemerkt (zie hiervoor, 2.5). Uit deze rechtspraak blijkt dat personen, die op het moment dat zij als getuige worden gehoord bestuurder zijn van een rechtspersoon die partij is in de procedure, zowel onder het oude als onder het nieuwe bewijsrecht als partijgetuigen zijn aan te merken (zie hiervoor, 2.6 e.v.). [verweerder 2] was en is (middellijk) bestuurder van Delco, welke vennootschap partij is in de procedures in Hong Kong. De Ondernemingskamer heeft dan ook terecht geoordeeld dat [verweerder 2] naar Nederlands procesrecht een partijgetuige is.”
r.o. 2.14
“Voornoemd regime geldt bovendien voor alle partijgetuigen, derhalve ook voor partijgetuigen die als zodanig worden aangemerkt omdat zij bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. De normen neergelegd in art. 2:8 BW (aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid), art. 2:9 BW (bestuurders zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling), art. 2:239 lid 5 BW (bestuurders richten zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) maken dit niet anders. Deze normen zijn te algemeen om de specifieke wettelijke bepalingen omtrent partijgetuigen en de rechtspraak die in dit kader is ontwikkeld opzij te zetten en vormen een onvoldoende wettelijke basis om bestuurders – in strijd met het geldende Nederlandse burgerlijk procesrecht – te dwingen als partijgetuige een verklaring af te leggen. De regel dat een partijgetuige niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen, geldt ongeacht welk belang een ander bij de verklaring stelt te hebben.”
r.o. 2.22
“Ook art. 2:349a lid 2 BW biedt geen wettelijke grondslag voor het verzochte bevel. Op grond van art. 2:349a lid 2 BW heeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid een onmiddellijke voorziening te treffen indien dat in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek is vereist. Voor het treffen van dergelijke voorzieningen is blijkens de DSM-beschikking van de Hoge Raad slechts plaats indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van de gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. Evenals eindvoorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW dienen onmiddellijke voorzieningen te zijn gericht op de doelstellingen van het enquêterecht.”
r.o. 2.26