← Week 36

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 september 2020

Conclusie A-G: geen ernstig verwijt indirect bestuurder bij niet-aflossen obligatielening

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een obligatiehouder sprak een indirect bestuurder van een failliete bv persoonlijk aan wegens het niet afgelost krijgen van zijn lening, omdat de inleg van een andere belegger niet voor zijn aflossing was gebruikt. Het hof wees de vordering af bij gebrek aan voldoende gestelde feiten voor een persoonlijk ernstig verwijt. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over stelplicht, betwisting en motivering falen en dat het beroep met artikel 81 RO kan worden verworpen.

Kernoverwegingen

“De looptijd van de obligaties vangt aan op het moment dat de hoofdsom conform artikel 2.1. aan [B] ter beschikking staat en heeft een looptijd van 1 jaar.”

r.o. 3.1

“Het subonderdeel faalt. Ik begrijp rov. 6.9.1 (onder a t/m d) zo, dat het hof daarbij in het bijzonder het oog heeft op de door [verweerder] concreet genoemde feiten en omstandigheden in nr. 12 van de mvg (rov. 6.9.1 onder a en b), nr. 13 van de mvg (rov. 6.9.1 onder c) en nr. 17 van de mvg (rov. 6.9.1 onder d, wat teruggrijpt op nrs. 12-16 van de mvg). Ik begrijp rov. 6.9.4 in verbinding met rov. 6.9.1 zo, dat het hof als ontoereikend gemotiveerd aanmerkt hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ter bestrijding van die door [verweerder] “ten verwere” tegen het aan hem door [eiser] gemaakte verwijt van ‘frustratie van betaling en verhaal’ aangevoerde feiten en omstandigheden, omdat [eiser] heeft volstaan met een enkele kale betwisting van die stellingen van [verweerder] met als argument dat [verweerder] de juistheid van die stellingen niet ook met bewijs(materiaal) heeft gestaafd, wat miskent dat overeenkomstig de hoofdregels van art. 149-150 Rv (waaruit mede volgt dat op [verweerder] in beginsel geen bewijslast rust met betrekking tot deze door hem ten verwere concreet genoemde feiten en omstandigheden) de stelplicht en bewijslast in beginsel niet bij [verweerder] liggen, maar bij [eiser] . Bij die stand van zaken en in lijn met art. 149 Rv gaat het hof vervolgens uit, als door [eiser] onvoldoende gemotiveerd bestreden, van de juistheid van deze door [verweerder] bij wijze van verweer aangevoerde feiten en omstandigheden. Deze uitleg in rov. 6.9.4 van dat door [eiser] aangevoerde […]”

r.o. 3.4

“Het subonderdeel faalt. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 1.A, deelt het in het lot daarvan. Ook overigens geldt dat uit hetgeen het subonderdeel betoogt, niet volgt dat met name in rov. 6.9.5 het hof te hoge eisen stelt aan de stelplicht van [eiser] ter zake de financiële vooruitzichten van [B] in maart 2011, althans het hof zijn oordeel ontoereikend motiveert. Daartoe wijs ik op het volgende. In rov. 6.9.5 van het eindarrest staat centraal de vraag of [eiser] , indachtig de hier geldende verdeling van stelplicht en bewijslast conform de hoofdregels van art. 149-150 Rv (zie ook onder 3.4 hiervoor), voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat, kort gezegd, inderdaad sprake is van het door hem aan de hier voorliggende bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW van [verweerder] ten grondslag gelegde verwijt van ‘frustratie van betaling en verhaal’ in maart 2011, zoals uiteengezet onder 3.1 hiervoor. Dat het hof die vraag ontkennend beantwoordt, is goed te volgen in het licht ook van het partijdebat. Zo valt uit nrs. 13-38 en 63-85 van de mva met enige goede wil nog wel af te leiden dat [eiser] concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die meebrengen dat [verweerder] heeft bewerkstelligd, althans heeft toegelaten, dat [B] in gebreke is gebleven de met hem gemaakte afspraak na te komen om met de inleg van [betrokkene 3] (meteen) de obligatielening van [eiser] af te lossen als bedoeld in rov. […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:778
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
4 september 2020
Datum publicatie
25 september 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 2:11 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 36 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.