← Week 39

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 september 2020

Artikel 2:248 BW: ontzenuwing causaliteitsvermoeden bij omzetdaling en nalaten maatregelen

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator spreekt de rechtspersoon-bestuurder van een failliete B.V. en de bestuurder van die rechtspersoon aan op grond van artikel 2:248 BW, wegens schending van de boekhoud- en deponeringsplicht. In cassatie gaat het alleen nog om de vraag of zij het wettelijke causaliteitsvermoeden hebben weerlegd met een beroep op een sterke omzetdaling. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de bestuurders hebben onvoldoende concreet gesteld welke maatregelen het bestuur tegen de omzetdaling heeft genomen. De Hoge Raad heeft de conclusie gevolgd.

Kernoverwegingen

“De subonderdelen Ia, Ib en Ic lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. Het oordeel van het hof in rov. 5.14-5.19 betreft, als gezegd, de als kopje boven rov. 5.14 vermelde vraag: “Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?”. Het vertrekpunt voor dat oordeel vormt dus, naast een verwijzing in rov. 5.14 naar het deel van de mvg waarin [eisers] daarop is ingegaan (in de toelichting op grieven I t/m III en met grief IV), een zakelijke weergave in rov. 5.15 van het relevante juridische kader. Omwille van de duidelijkheid licht ik die laatste vooropstelling van het hof nog eens uit:

“5.15. Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop. Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat als weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773). Het is echter niet zo dat het […]”

r.o. 3.3

“Ook de subonderdelen IIa, IIb en IIc lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. En ook dit onderdeel faalt, gelet op het volgende. Subonderdeel IIa gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist dus feitelijke grondslag, nu het hof blijkens rov. 5.14-5.19 wel degelijk heeft onderkend dat de door art. 2:248 leden 1 en 2 BW vereiste kennelijke onbehoorlijke taakvervulling een verzwaarde maatstaf behelst en niet (in plaats van de met die maatstaf corresponderende hoge drempel) een andere maatstaf en een daaraan gerelateerde lage(re) drempel heeft gehanteerd bij het bestreden oordeel in rov. 5.19, derde alinea, zoals bedoeld in het subonderdeel. Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat het hof tot dat bestreden oordeel komt, omdat [eisers], in de analyse van het hof in rov. 5.19, eerste en tweede alinea (voortbouwend op rov. 5.14-5.18), al met al onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen beoordelen of, en op basis daarvan te kunnen aannemen dat, het bestuur van [A] zich op zodanige wijze heeft gedragen ten aanzien van het intreden van die belangrijk(st)e oorzaak van het faillissement van [A] zoals gesteld door [eisers] (“met name de sterke omzetdaling”, etc.; zie uitgebreid rov. 5.16) dat het ter zake geen onbehoorlijke taakvervulling verweten kan worden. Anders gezegd: daardoor heeft het hof niet eens kunnen toekomen aan de eigenlijke beoordeling van dit laatste, op basis van die - door het hof (dus) onderkende - verzwaarde maatstaf. Daaraan […]”

r.o. 3.5

“Ook dit onderdeel faalt, gelet op het volgende. Ik versta rov. 5.19 (gelezen in verbinding met rov. 5.14-5.18) aldus dat het hof daarin vooropstelt (eerste zin) dat de bedoelde aanzienlijke omzetdaling zoals voldoende aangetoond door [eisers] (zie ook rov. 5.16 en 5.18) weliswaar aangemerkt kan worden als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A], maar dat deze omzetdaling alleen, gelet op het genoemde nalaat-verwijt van de curator (dat het bestuur van [A], onder wie dus [eiseres 1] (bestuurd door [eiser 2]), heeft nagelaten het intreden van die belangrijk(st)e oorzaak van het faillissement van [A] zoals gesteld door [eisers] te voorkomen, vgl. rov. 5.17), onvoldoende is om aan te nemen dat andere feiten of omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] zijn geweest. Daartoe dient immers in ieder geval te worden bezien of [eisers] tevens feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat dit door de curator verweten nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur oplevert, zoals ook volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad zoals genoemd in rov. 5.15 van het hof. De daarop volgende analyse in rov. 5.19, eerste en tweede alinea brengt het hof dan in rov. 5.19, derde alinea tot de slotsom dat [eisers] al met al onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen beoordelen of, en op basis daarvan te kunnen aannemen dat, het bestuur van [A] zich op zodanige wijze heeft gedragen ten […]”

r.o. 3.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:848
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 september 2020
Datum publicatie
21 oktober 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:10 BW, 2:394 BW, 2:11 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 39 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.