Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 oktober 2020
Derdenbeslag onder v.o.f.: vallen privé-opnames van vennoot onder beslag?
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Schuldeisers van een vennoot leggen derdenbeslag onder een v.o.f. De vennoot neemt daarna voorschotten voor privégebruik op uit de v.o.f.-kas. De A-G concludeert dat de v.o.f.-overeenkomst ook een rechtsverhouding tussen elke vennoot en de v.o.f. als afgescheiden vermogen schept. De na afroep ontstane vorderingen vloeien rechtstreeks voort uit die bestaande rechtsverhouding en vallen onder het beslag. De vennoten zijn volgens artikel 18 WvK ook na ontbinding hoofdelijk aansprakelijk, en zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid houdt volgens de Hoge Raad in dat de v.o.f. niet zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen. Wanneer een vennoot handelt in naam van de v.o.f. (waartoe iedere vennoot op grond van art. 17 WvK in beginsel bevoegd is), handelt hij namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten. Een overeenkomst met een v.o.f. moet dan ook worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten.”
r.o. 2.10
“In de tweede plaats ligt in genoemd oordeel de verwerping van het in rov. 3.11 weergegeven betoog van [eiser] besloten dat op grond van de v.o.f.-overeenkomst slechts een rechtsverhouding bestond tussen [betrokkene 2] en hem, en niet tussen [betrokkene 2] en de v.o.f. Deze verwerping geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de hierboven onder 2.8 tot en met 2.10 aangehaalde opvattingen in rechtspraak en literatuur over de aard van een v.o.f. De tussen [eiser] en zijn broer [betrokkene 2] gesloten overeenkomst tot uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam, de v.o.f., brengt ook een rechtsverhouding mee tussen ieder der vennoten en de v.o.f. als collectief in de vorm van een afgescheiden vermogen. Het hiervoor geciteerde artikel 9 van de v.o.f.-overeenkomst is daarvan een voorbeeld met de bepaling dat ieder der vennoten een bedrag uit de kas van de vennootschap – het afgescheiden vermogen – mag opnemen. Het oordeel van het hof dat het feit dat de v.o.f. niet zelf partij is bij de v.o.f.-akte daaraan niet afdoet, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd.”
r.o. 2.18
“M.i. heeft het hof met dit oordeel toepassing gegeven aan de overweging van de Hoge Raad in rov. 3.5 van het Kredietruimte-arrest. Van een onjuiste toepassing of miskenning van de bredere betekenis van dit arrest, is mitsdien in zoverre geen sprake. Als [betrokkene 2] op grond van artikel 9 van de v.o.f.-overeenkomst voorschotbetalingen van de v.o.f. aan hem heeft afgeroepen, ontstaan vorderingen van hem op de v.o.f. die hun onmiddellijke grondslag vinden in de v.o.f.-overeenkomst. Dat het ontstaan van de vorderingen afhankelijk is van zijn wil(sverklaring), maakt dit niet anders. Dit gegeven zorgt ervoor dat de desbetreffende vorderingen als toekomstige vorderingen zijn te beschouwen, nu het ontstaan daarvan afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Het verandert evenwel niets aan de onmiddellijke grondslag van de vordering - de v.o.f.-overeenkomst - waaruit de aan de orde zijnde rechtsverhouding bestaat en waar de vennoot die de wilsverklaring kan afleggen deel van uitmaakt. Op toekomstige vorderingen kan ingevolge art. 475 Rv onder voorwaarden derdenbeslag worden gelegd. Het hof heeft dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat [eiser] namens de v.o.f. dienovereenkomstig had dienen te verklaren. Overigens heeft het hof aan het slot van rov. 3.13 nog overwogen dat uit de overzichten van de privé-onttrekkingen blijkt dat [betrokkene 2] zelf na beslaglegging is overgegaan tot uitoefening van de relevante wilsrechten.”
r.o. 2.27