Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 31 januari 2020
Stuiting verjaring jegens vof werkt niet door naar vennoot in privé
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een schuldeiser stelde een vof aansprakelijk en sprak jaren later een voormalige vennoot persoonlijk aan, die zich op verjaring beriep. De A-G concludeert dat een stuitingsmededeling aan de vof de verjaring jegens de vennoot in privé niet stuit, omdat de schuldeiser twee afzonderlijke samenlopende vorderingsrechten heeft die elk afzonderlijk moeten worden gestuit. Ook een beroep op redelijkheid en billijkheid faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Naar huidig recht kunnen dus de volgende conclusies worden getrokken uit de rechtspraak van Uw Raad:
A. de vof heeft geen rechtspersoonlijkheid en is ook geen rechtssubject; B. dat brengt onder meer met zich dat een overeenkomst met de vof moet worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid; C. aan de vof wordt soms (in wet of rechtspraak) een zekere zelfstandige positie toegekend (de vof mag dagvaarden en zij mag gedagvaard worden, er sprake van een afgescheiden vermogen, de vof kan op eigen naam failliet worden verklaard, het faillissement van de vof brengt niet zonder meer het faillissement van de vennoten mee); D. een derde die een vordering heeft jegens de vof, heeft in werkelijkheid twee afzonderlijke samenlopende vorderingsrechten: één vorderingsrecht jegens de vof (de gezamenlijke vennoten in hoedanigheid dus) dat verhaalbaar is op het afgescheiden vermogen, en één jegens de vennoten in privé dat verhaalbaar is op het privévermogen van de vennoten. Deze vorderingsrechten kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingesteld, en worden ook op hun eigen merites beoordeeld. Zo kan de vof geen verweermiddelen van de vennoten in privé voeren, betekent het faillissement van de vof niet zonder meer het faillissement van de vennoten, leidt het niet instellen van een rechtsmiddel door de vof niet tot niet-ontvankelijkheid van vennoten die in privé een rechtsmiddel hebben ingesteld en kan een vonnis gewezen op naam van de vof niet op het […]”
r.o. 3.30
“Onderdeel 1 van het middel stelt de vraag aan de orde of stuiting van de verjaring jegens de vof ook doorwerkt ten aanzien van de op art. 18 WvK gebaseerde rechtsvorderingen jegens de vennoten. Het antwoord op deze vraag wordt niet bepaald door het naar geldend recht ontbreken van rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit, maar door het gegeven dat sprake is van twee afzonderlijke samenlopende vorderingsrechten, zoals is uiteengezet in randnummers 3.25 e.v. Ook al zijn het de gezamenlijke vennoten die een vof tot een vof maken, het bestaan van die twee afzonderlijke samenlopende vorderingsrechten bij een vof brengt uiteindelijk mee dat een schuldeiser van een vof twee vorderingsrechten heeft die op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Het faillissement van de vof betekent, zoals wij hebben gezien, niet automatisch het faillissement van de vennoten. Het niet instellen van een rechtsmiddel door de vof leidt evenmin, zo is gebleken, automatisch tot niet-ontvankelijkheid van de vennoten in privé (die wel een rechtsmiddel hebben ingesteld). En om eenzelfde reden kan evenmin de regel worden aanvaard dat de stuiting van de verjaring van het vorderingsrecht jegens een vof automatisch doorwerkt ten aanzien van het op art. 18 WvK gebaseerde vorderingsrecht jegens de vennoten in privé. Dat betekent dat de vraag die onderdeel 1 van het middel stelt, naar geldend recht, ontkennend moet worden beantwoord.”
r.o. 3.42
“[eiser] miskent namelijk ten eerste dat naar vaste rechtspraak van Uw Raad de vof weliswaar geen rechtspersoonlijkheid bezit en evenmin een rechtssubject is, maar dat zij in sommige gevallen (ingevolge de wet of de rechtspraak) wel een zelfstandige positie inneemt. Zo is bij de vof sprake van een afgescheiden vermogen waarop de vennootschapscrediteuren hun vorderingsrechten kunnen verhalen, kan de vof failliet worden verklaard (art. 4 lid 3 Fw), mag zij dagvaarden en gedagvaard worden (art. 51 Rv) en geldt een veroordelend vonnis tegen een vof niet tegen de vennoten in privé. Inherent aan het gegeven dat de vof procesbevoegdheid bezit, is dat de vof in een procedure eigen verweermiddelen kan aanvoeren. Ook de regel van twee afzonderlijke (samenlopende) vorderingsrechten die van oudsher in de rechtspraak van Uw Raad wordt aanvaard, brengt mee dat de vof in een procedure eigen verweermiddelen kan hebben. Die regel houdt in dat, zoals Uw Raad in het arrest UWV/bewindvoerder duidelijk heeft verwoord, de vennootschapscrediteur in werkelijkheid twee afzonderlijke samenlopende vorderingsrechten heeft: één jegens de vof, dat verhaalbaar is op het afgescheiden vermogen, en één jegens de vennoot in persoon, dat verhaalbaar is op het privévermogen van deze vennoot. Deze twee vorderingsrechten worden ieder op hun eigen merites beoordeeld. Daarbij is van belang welke verweermiddelen de vof respectievelijk de vennoten in privé hebben aangevoerd.”
r.o. 3.50