Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 november 2021
Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting met een charitatief doel en een bisschoppelijke band is in geschil met het bisdom over haar rechtskarakter: zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap (artikel 2:2 BW) of civiele stichting (artikelen 2:3 en 2:285 BW). Het hof oordeelde dat zij een zelfstandig onderdeel is, mede op basis van de statuten en het canonieke recht. De A-G concludeert dat dit oordeel in stand kan blijven en behandelt de criteria, waaronder de vereiste erkenning door het kerkgenootschap en het verbod op samenloop van beide rechtsvormen.
Kernoverwegingen
“De tweede categorie van criteria van Van Kooten betreft criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de desbetreffende organisatie zelfstandig onderdeel uitmaakt van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW. Het gaat dan volgens Van Kooten om de erkenning door het kerkgenootschap van rechtspersoonlijkheid van die organisatie als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap, het religieuze karakter van het zelfstandig onderdeel en de zeggenschap van kerkelijke ambtsdragers in het zelfstandig onderdeel. Ik ga hierna uitgebreider in op het criterium van de erkenning, nu dat m.i., anders dan de criteria van de eerste categorie (waarover onder 3.13 hiervoor), in het bijzonder relevant is voor de onderhavige zaak (op die overige criteria van de tweede categorie ga ik nog kort in onder 3.21 hierna). Ik maak hier eerst een zijstap naar relevante rechtspraak van de Hoge Raad.”
r.o. 3.14
“De Hoge Raad volgt zijn A-G: “3.2 Vooropgesteld moet worden dat niet als onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt een instelling die door dat kerkgenootschap zelf niet als onderdeel wordt beschouwd. De vraag of het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap de stichting als een zijner onderdelen beschouwt heeft het hof in r.o. 4.2 onderzocht, waarbij het heeft gelet op de binnen het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap omtrent de erkenning van onderdelen daarvan geldende regels en op het standpunt van de betrokken bisschop. Voor zover onderdeel 3 van het middel erover klaagt dat het hof die vraag niet heeft onderzocht mist het dus feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor onderdeel 4. Voor zover onderdeel 3 voorts aanvoert dat beslissend is of het betrokken kerkgenootschap dat de instelling niet als onderdeel beschouwt, het als onderdeel behoort te beschouwen, faalt het omdat het uitgaat van een onjuiste maatstaf. 3.3 Onderdeel 5 faalt, omdat het eraan voorbijziet dat naar 's hofs kennelijk oordeel van het tijdstip af waarop het Reglement voor het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland van 7 juni 1923 in werking trad de stichting slechts als onderdeel van dat kerkgenootschap zou zijn aan te merken als zij overeenkomstig art. VII van dat Reglement als zodanig wettig zou zijn erkend door de bisschop van Breda, welke erkenning niet had plaatsgevonden. 's Hofs oordeel is - ook in het licht van de aan het slot van het onderdeel genoemde bepalingen - niet onbegrijpelijk. 3.4 […]”
r.o. 3.19
“De onderhavige zaak verschilt in zoverre van de zaak over het ziekenhuis dat in de onderhavige zaak tussen het Bisdom en het Maagdenhuis c.s. onder meer uiteenlopende opvattingen bestaan over de vraag of het Maagdenhuis rechtspersoonlijkheid ontleent aan art. 2:2 lid 1 BW (aldus het Bisdom) of aan art. 2:3 BW (aldus het Maagdenhuis c.s.), terwijl in de zaak over het ziekenhuis zowel het ziekenhuis als het R.K. Kerkgenootschap zich op het standpunt stelde dat sprake was van een stichting als bedoeld in art. 2:3 BW. In de zaak over het ziekenhuis ging het om een conflict van derden (de erfgenamen van [betrokkene 8] ) met het ziekenhuis, bij welk geschil het R.K. Kerkgenootschap zelf geen partij was. Een ander verschil is dat in de onderhavige zaak het standpunt van het Bisdom is dat het Maagdenhuis (wel) als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap kwalificeert, terwijl in de zaak over het ziekenhuis het standpunt van het R.K. Kerkgenootschap juist was dat het ziekenhuis niet als zelfstandig onderdeel van dat kerkgenootschap kwalificeerde. De vooropstelling door de Hoge Raad in rov. 3.2 van het arrest over het ziekenhuis dat niet als onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt een instelling die door dat kerkgenootschap zelf niet als onderdeel wordt beschouwd, hoeft niet te verbazen. Die is ook in overeenstemming met de opvatting van onder anderen Meijers dat een onderdeel van een rechtspersoon niet tegen de wil van laatstgenoemde de nodige zelfstandigheid […]”
r.o. 3.20