Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 december 2021
Rechtsmacht bij persoonlijke aanspraak op feitelijk bestuurder in Monaco; Erfolgsort financiële schade
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een advocatenkantoor sprak naast een Nederlandse vennootschap ook de in Monaco wonende feitelijk bestuurder aan, onder meer uit onrechtmatige daad, voor onbetaalde declaraties. De conclusie gaat over de Nederlandse rechtsmacht (artikel 7 lid 1 en artikel 6 aanhef en onder e Rv) en over de uitleg van de overeenkomst, en strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Boek 2 speelt geen rol; de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder wordt niet inhoudelijk getoetst.
Kernoverwegingen
“In deze zaak heeft het hof in rov. 5.2.8 overwogen dat het de vraag is of het (gestelde) schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Het hof heeft overwogen dat [eiseres] [verweerder 1] als feitelijk beleidsbepaler van [verweerster 2] persoonlijk aansprakelijk houdt voor de niet-betaling van de facturen door [verweerster 2] , omdat van [verweerder 1] kon worden verwacht dat hij zorgde voor liquiditeiten om de facturen van [eiseres] te betalen en dit heeft nagelaten. In rov. 5.2.9 heeft het hof overwogen dat dit nalaten heeft plaatsgevonden in Monaco, waar [verweerder 1] woont. Het schadebrengende feit heeft zich niet in Nederland voorgedaan, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd is op grond van art. 6, aanhef en onder e, Rv. Het middel klaagt dat het hof bevoegdheid had moeten aannemen als rechter van het Erfolgsort, omdat in Nederland [eiseres] initiële schade heeft geleden, die bestaat uit het onbetaald laten van de facturen.”
r.o. 2.53
“Uit deze rechtspraak van het HvJEU volgt dat in het geval van zuiver financiële schade een restrictieve toepassing van het Erfolgsort als bevoegdheidsgrondslag op haar plaats is. Het enkele feit dat op de (Nederlandse) bankrekening van [eiseres] geen betaling van de facturen heeft plaatsgevonden door het nalaten van [verweerder 1] om voor financiering te zorgen, brengt niet met zich dat het Erfolgsort in Nederland is gelegen. De door [eiseres] in het middel aangevoerde omstandigheid dat [eiseres] in Nederland is gevestigd, is onvoldoende om het Erfolgsort in Nederland te lokaliseren. Weliswaar vloeit uit de rechtspraak van het HvJEU voort dat de plaats waar zuiver financiële schade is ingetreden, kan dienen als grondslag voor bevoegdheid, maar daarvoor is de aanwezigheid van andere bijzondere omstandigheden vereist. Van die andere bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. Het onderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken waar dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Op het voorgaande stuiten de onderdelen 2.5-VI en 2.5-VII af.”
r.o. 2.55