Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 december 2021
WHOA: pensioenpremies bedrijfstakpensioenfonds en werknemersuitzondering artikel 369 lid 4 Fw
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
In deze prejudiciële procedure over de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) concludeert de advocaat-generaal dat achterstallige pensioenpremies van een bedrijfstakpensioenfonds onder de werknemersuitzondering van artikel 369 lid 4 Faillissementswet vallen en dus buiten de WHOA blijven. Boek 2 BW speelt een zeer beperkte rol: artikel 2:24b BW wordt slechts genoemd bij de beschrijving van de regeling voor groepen in artikel 372 Faillissementswet.
Kernoverweging
“De tweede paragraaf van de WHOA-afdeling bevat verder bepalingen over de aanbieding, inhoud en inrichting van het akkoord. Dat betreft regelingen over het verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige en de medewerkingsplicht van onder meer bestuurders en personeel van de schuldenaar (art. 371 Fw), nadere regelingen indien de schuldenaar deel uitmaakt van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW (art. 372 Fw), het doen van een voorstel tot wijziging of beëindiging van overeenkomsten (art. 373 Fw), de al genoemde indeling in klassen (art. 374 Fw), de informatie die bij (het aanbod tot) het akkoord moet worden verstrekt (art. 375 Fw), de afkoelingsperiode en de gevolgen daarvan voor de rechten van de schuldenaar (artt. 376 en 377 Fw), de mogelijkheid om in de periode tot de stemming over het akkoord een tussentijds oordeel van de rechtbank te verkrijgen (art. 378 Fw), en de mogelijkheid dat de rechter maatwerkvoorzieningen treft, waaronder de aanstelling van een observator (artt. 379 en 380 Fw). Een observator heeft tot taak toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord en daarbij oog te hebben voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers (art. 380 lid 1 Fw).”
r.o. 3.41