Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 december 2021
Beklamel-aansprakelijkheid rechtspersoon-bestuurder en middellijk bestuurders stichting via artikel 2:11 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een stichting deed aan participanten in een fonds de toezegging dat bij beëindiging van hun deelneming minimaal een bepaald bedrag zou worden terugbetaald, maar kon dit niet nakomen en bood geen verhaal. Het hof hield de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (Beklamel-criterium) en de middellijk bestuurders via artikel 2:11 BW. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de motivering van de toezegging en van het ernstig verwijt falen, en dat het arrest in stand kan blijven.
Kernoverwegingen
“De klachten in de nrs. 3 t/m 9 van het middel falen, gelet op het volgende.Als startpunt voor de beoordeling van deze klachten dient dat het daarin bestreden oordeel van het hof omtrent de gedane toezegging (zie nader onder 3.1-3.2 hiervoor) moet worden bezien tegen de achtergrond van, en in onderling(e) verband en samenhang met, ‘s hofs daaraan voorafgaande en in cassatie onbestreden overwegingen in het arrest, in het bijzonder waar het hof, zakelijk weergegeven:
- het door [verweerster 1] en [verweerder 2] gestelde samenvat in de zin dat zij hebben betoogd dat de Stichting c.s. de toezegging niet zijn nagekomen dat een bedrag van (minimaal) € 205.000,-- aan [verweerster 1] en [verweerder 2] gezamenlijk zou worden terugbetaald bij beëindiging van hun deelneming aan het Fonds, naast het reeds terugbetaalde bedrag van € 300.000,-- (rov. 3.2, slot en 3.6); - onderscheid maakt tussen enerzijds “de periode tot medio april 2014”, ten aanzien waarvan de vordering van [verweerster 1] en [verweerder 2] niet voor toewijzing in aanmerking komt (rov. 3.5), en anderzijds “[d]e periode na medio april 2014”, die “wordt gekenmerkt door een andere situatie” en ten aanzien waarvan - dus: ten aanzien van die periode - het hof zich de vragen stelt of de daar bedoelde toezegging is gedaan, en zo ja, wat de aard en de strekking daarvan was (rov. 3.6 en 3.7); - overweegt dat het bij de beantwoording van deze vragen aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer […]”
r.o. 3.3
“De klachten in de nrs. 10 t/m 12 van het middel falen, gelet op het volgende.Voor zover deze - tegen rov. 3.17 en 3.20 van het arrest gerichte - klachten voortbouwen op de klachten in de nrs. 3 t/m 9 van het middel, die falen (zie onder 3.3 hiervoor), delen de onderhavige klachten in dat lot. Ook voor zover deze klachten gericht zijn tegen ’s hofs overwegingen in rov. 3.17 omtrent, kort gezegd, de daar bedoelde wetenschap van HDR Management als bestuurder van de Stichting en ontbrekende wetenschap van [verweerster 1] en [verweerder 2] als schuldeisers van de Stichting, op welke rov. 3.17 het hof voortbouwt in rov. (3.18-3.19 en) 3.20, stranden zij. Ik licht toe waarom, waarbij ik uitga van de door het hof in rov. 3.9-3.14 bedoelde toezegging en aan ’s hofs overwegingen ter zake geen specifieke aandacht besteed (zie daarvoor onder 3.3 hiervoor).In rov. 3.17 geeft het hof ten aanzien van HDR Management als bestuurder van de Stichting duidelijk toepassing aan het zogenoemde ‘Beklamel’-criterium voor externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW, kort gezegd het door het hof in rov. 3.16 onder “de onder (i) bedoelde gevallen” aangeduide criterium:
“dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een entiteit zoals de stichting kan worden aangenomen wanneer de bestuurder bij het namens de stichting aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de stichting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal […]”
r.o. 3.5
“Nu alle klachten in de nrs. 3 t/m 12 van het middel falen, kan het middel niet tot cassatie leiden en het arrest in stand blijven. Gegeven het voorgaande leent deze zaak zich m.i. voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, wat ik dan ook in overweging geef.”
r.o. 3.6