Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 december 2021
Verpanding van vorderingen van coöperatielid uit ledenlening en participatierekening
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
De zaak gaat over de vraag of de bank een pandrecht heeft verkregen op vorderingen van een gefailleerd lid van een coöperatie uit een ledenlening en een participatierekening. Dat hangt af van het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen en van de vraag of een onoverdraagbare vordering kan worden verpand. Boek 2 speelt alleen een rol als achtergrond bij de beschrijving van de coöperatie en haar financiering.
Kernoverwegingen
“De rechtspersoon coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging, die zich blijkens haar statuten ten doel stelt in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1 BW). In de agrarische sector wordt traditioneel veel gebruik gemaakt van coöperaties, onder meer in het kader van de verhandeling van land- en tuinbouwproducten via door coöperaties gedreven veilingen.”
r.o. 2.6
“Voor de coöperatie geldt de wettelijke regeling van het jaarrekeningenrecht (art. 2:360 lid 1 BW). Dit brengt mee dat het bestuur jaarlijks een jaarrekening moet opmaken overeenkomstig titel 9 van Boek 2 BW en deze ter vaststelling aan de algemene vergadering moet voorleggen. Coöperaties kunnen echter de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening (art. 2:361 lid 2 BW). In de statuten 2013 van FloraHolland wordt melding gemaakt van een exploitatierekening (art. 33, leden 1 en 4).”
r.o. 2.9
“Anders dan de vereniging mag de coöperatie winst onder haar leden verdelen (art. 2:53a lid 1 jo. 2:26 lid 3 BW). Ofschoon de wet geen voorschriften van kapitaalbescherming bevat, valt aan te nemen dat de belangen van schuldeisers bij besluiten tot winstuitkering niet mogen worden veronachtzaamd. De coöperatie is echter niet tot verdeling van de winst verplicht. Art. 2:53 lid 1 BW vereist niet dat aan de leden een opeisbare aanspraak tot uitkering van hun aandeel in de jaarlijkse winst toekomt. De wet bepaalt slechts dat de leden in geval van ontbinding recht hebben op uitkering van hun aandeel in het liquidatieoverschot, tenzij de statuten anders bepalen (art. 2:27 lid 4 sub f BW jo. 2:23b lid 1 BW). Dit leidt er in de praktijk meestal toe dat het eigen vermogen toekomt aan de leden die op het tijdstip van de ontbinding lid zijn van de coöperatie.”
r.o. 2.10