Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 december 2021
Gezag van gewijsde van beschikking ex artikel 2:298 BW over ontslag stichtingbestuurder
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichtingbestuurder is ontslagen en verzoekt later vernietiging van dat besluit, nadat in een eerdere verzoekschriftprocedure ex artikel 2:298 BW al was geoordeeld dat het ontslag rechtsgeldig was. De A-G meent dat dit oordeel gezag van gewijsde heeft: artikel 236 Rv kan naar analogie gelden voor voorvraagbeslissingen in zo'n procedure, ook bij een gunstig dictum, en artikel 2:15 BW staat daaraan niet in de weg. Het arrest van het hof kan in stand blijven.
Kernoverwegingen
“Hoewel art. 236 Rv slechts over vonnissen spreekt, is door de Hoge Raad meermaals ten aanzien van art. 67 (oud) Rv en art. 236 Rv overwogen dat de bindende kracht van beslissingen zich leent voor toepassing naar analogie op beschikkingen op verzoekschrift waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. Dat dit ook kan gelden met betrekking tot een of meer beslissingen over een of meer te beantwoorden voorvragen in een verzoekschriftprocedure die een ingang biedt voor een specifiek verzoek, volgt m.i. ook uitdrukkelijk uit een Hoge Raad-beschikking van 10 september 1999. In die zaak was onder meer aan de orde of gezag van gewijsde kon toekomen aan een beschikking, gegeven in een verzoekschriftprocedure op grond van art. 28d (oud) Huurwet (verlenging ontruimingstermijn), meer specifiek de door de betrokken stichting (Motorsport Wijchen) verzochte beslissing van de kantonrechter daarin ten aanzien van de voorvraag of al dan niet sprake was van bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 (oud) BW. De kantonrechter beantwoordde in de gegeven beschikking die kwalificatievraag ontkennend. Het verzoek van de stichting tot verlenging van de ontruimingstermijn wees de kantonrechter daarin af, omdat deze de Huurwet (oud) niet van toepassing achtte. Het tegenverzoek van de betrokken gemeente (Wijchen) om een termijn te bepalen waarbinnen de stichting het desbetreffende terrein dient te ontruimen is ook afgewezen, met de motivering dat zulks alleen […]”
r.o. 3.6
“Voor zover het subonderdeel een klacht bevat, faalt deze gelet op het volgende. Ik lees dit subonderdeel zo dat het hooguit een klacht bevat in de door het subonderdeel sub a genoemde omstandigheid, te weten de (rechts)klacht dat de rechtsingang van art. 2:298 BW niet de mogelijkheid (aan iedere belanghebbende) biedt om een bindend oordeel te krijgen over de vraag of een reeds genomen ontslagbesluit geldig is. De opsomming in het subonderdeel sub b t/m d bevat geen duidelijke, zelfstandige klacht die voldoet aan de te stellen eisen ex art. 407 lid 2 Rv, maar veeleer een weergave van stellingen waarnaar wordt terugverwezen in de subonderdelen 1.1.1 t/m 1.1.3. Ik beperk mij op deze plaats dus tot de klacht die het subonderdeel 1.1 verwoordt onder sub a (voor zover daarin een klacht is vervat), welke klacht, zoals gezegd, niet kan slagen. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof in rov. 3.11 van het arrest overweegt dat de rekestenrechter in de beschikking in algemene zin zou hebben geoordeeld dat het ontslagbesluit van 25 april 2017 rechtsgeldig is, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof overweegt in rov. 2 sub vii) van het arrest reeds: “vii) Bij beschikking van 3 mei 2018 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank [de rekestenrechter, A-G] op dat verzoek beslist. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek is gebaseerd op artikel 2:298 BW, op grond waarvan een bestuurder in de daar genoemde omstandigheden door de rechtbank kan worden ontslagen. […]”
r.o. 3.9
“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. Voor zover het subonderdeel, nogmaals en kort gezegd, de algemeen ingestoken klacht inhoudt dat art. 2:298 BW wel de mogelijkheid (aan iedere belanghebbende) biedt om de rechtbank te verzoeken een bestuurder te ontslaan, maar niet (ook) de mogelijkheid (aan iedere belanghebbende) biedt om een bindend oordeel te krijgen over de vraag of een reeds genomen ontslagbesluit rechtsgeldig is, verwijs ik terug naar de bespreking van subonderdeel 1.1 sub a onder 3.9 hiervoor, waar reeds is uiteengezet dat die klacht strandt. Ook voor het overige, met name in termen van toespitsing op het onderhavige geval, en voor zover het subonderdeel feitelijke grondslag heeft, boekt het subonderdeel wat mij betreft geen succes.Ik start, voor zover hier relevant, met de door het hof in het arrest gegeven uitleg aan de gedingstukken in de verzoekschriftprocedure en de beschikking (in het licht van deze gedingstukken), welke uitleg in cassatie slechts beperkt (op begrijpelijkheid en toereikendheid van de motivering) kan worden onderzocht (zie onder 3.5 hiervoor). ’s Hofs oordeel ter zake dient m.i., voor zover hier relevant, als volgt te worden begrepen:
- Het verzoek van [verweerder 2] dat heeft geleid tot de beschikking verschilt op een wezenlijk onderdeel van een voorwaardelijk verzoek waarbij ontbinding van een arbeidsovereenkomst wordt verzocht voor het geval (in een andere procedure) in rechte komt vast te staan dat een eerder gegeven ontslag niet […]”
r.o. 3.11