Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 februari 2021
Uitkoop artikel 2:92a BW: consignatie, verzettermijn en processueel ondeelbare rechtsverhouding
- Uitkoop
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (artikel 2:92a BW) bij verstek, gevolgd door consignatie en verzet. De A-G meent dat een redelijke aanbiedingstermijn voor consignatie geldt, maar dat deze de verzettermijn niet beïnvloedt, en dat die termijn hier acht weken is. De uitkoop betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ook voor de prijs. Het verzet moet de overige aandeelhouders oproepen, en de A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.
Kernoverwegingen
“De maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de betrokkenen aandeelhouders jegens elkaar in acht dienen te nemen (art. 2:8 BW), bieden wel (aanvullend) de benodigde basis op per geval te beoordelen waartoe de overnemer in dit verband gehouden is. Hierop is naar mijn mening (mede) de in de rechtspraak van de OK ontwikkelde regel gebaseerd, dat de overnemer in beginsel een redelijke termijn moet gunnen voor aanbieden van de aandelen alvorens tot consignatie over te gaan. Van deze regel kan naar mijn mening worden uitgegaan.”
r.o. 4.17.3
“Gezien het met het verzet gemoeide belang zie ik onvoldoende reden om aan te nemen dat het met het gunnen van een redelijke aanbiedingstermijn alvorens tot consignatie over te gaan gemoeide belang, zou kunnen rechtvaardigen dat de verzettermijn niet kan aanvangen dan nadat deze redelijke termijn is verstreken. Het betreft ongelijksoortige belangen. Bij de verzettermijn staat het belang van toegang tot de rechter tegenover het belang dat op enig met een voldoende mate van zekerheid te bepalen moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt. Aan die afweging is vreemd de vraag of een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging van de uitspraak voor de eiser dan wel de verweerder financieel gunstiger uitpakt. Daarbij betrek ik dat de ‘redelijke’ aanbiedingstermijn naar haar aard afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en daarmee onbepaald is, zodat daarover nog geruime tijd na het verzetarrest onzekerheid zou kunnen bestaan, wat mogelijk een executiegeschil nodig maakt om aan deze onzekerheid een einde te maken. Deze onzekerheid die inherent is aan de bedoelde redelijke termijn komt bovenop de onzekerheid die inherent is aan de verzettermijn. Een dergelijk resultaat is naar mening ongewenst en dient, indien mogelijk, vermeden te worden. Hieraan doet niet af dat de rechtspraak van de OK niet uitsluit dat de overnemer de betekening van art. 430 lid 3 Rv combineert met een bekendmaking van art. 2:92a lid 7 en 8 BW, die inhoudt dat wanneer de uit te kopen aandeelhouder […]”
r.o. 4.33
“De toelichting op art. 143 Rv biedt verder geen aanknopingspunt voor de gedachte dat er een keuze is gemaakt voor een verzettermijn van vier weken voor buitenlandse verweerders zonder bekend adres, ook al geldt voor buitenlandse verweerders met een bekend adres een termijn van acht weken. De regeling van art. 143 lid 2 Rv wijst er naar mijn mening juist op dat in het buitenland gevestigde verweerders in het algemeen meer tijd wordt gegund om verzet in te stellen. Het ligt naar mijn mening in de rede om een buitenlandse verweerder zonder bekend adres die na betekening op de voet van art. 54 lid 4 Rv objectief geacht wordt met zijn veroordeling bekend te kunnen zijn, in beginsel geen kortere verzettermijn te gunnen dan de buitenlandse verweerder met een bekend adres.”
r.o. 4.39.3