Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 februari 2021
Bestuurdersaansprakelijkheid bij overname betalingssysteem; Beklamel en selectieve betaling, Curaçao
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In deze Caribische zaak vorderen een crediteur en diens vennootschap van een bank en haar directeur schadevergoeding wegens onder meer het leegtrekken van de vennootschap, selectieve betaling en persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof wees de vorderingen af. De A-G concludeert dat de cassatieklachten, waaronder over de Beklamel- en Ontvanger/Roelofsen-maatstaf, falen omdat zij uitgaan van een verkeerde lezing van het vonnis, en strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Subonderdeel IIa (rechtsklacht) klaagt (i) dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting waar, aldus het hof in rov. 3.3, voor een vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid geen plaats is, althans [verweerder 2] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt "reeds vanwege de onbetwiste stelling van PSB c.s. dat de verbintenissen met [A] in de periode zijn aangegaan voordat [verweerder 2] bestuurder was van [verzoekster 2] en dat [verweerder 2] in de periode dat hij bestuurder was geen enkele verbintenis is aangegaan met [A] noch met [verzoeker 1] ”, nu:
“het miskent dat evenzeer aansprakelijkheid op de bestuurder kan komen te rusten als hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, althans als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, zoals Uw Raad heeft uitgemaakt in het arrest Ontvanger/ [...] , welke situatie zich onder meer kan voordoen als de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en verhaal wordt gefrustreerd of als sprake is van selectieve betaling.”
Het subonderdeel klaagt verder:
- (ii) dat voor zover het hof uit het Hoge Raad-arrest “in de zaak RCI” zou hebben afgeleid dat “enkel nog in de eerder aangeduide Beklamel situatie, […]”
r.o. 3.12
“De klacht faalt. In rov. 3.1 overweegt het hof, voor zover relevant en in cassatie onbestreden, dat de grieven, die zich richten tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen van [verzoekers + betrokkene 1] , zich lenen voor gezamenlijke behandeling en dat tot de drie (rechts)vragen waarop het geschil van partijen in hoger beroep betrekking heeft als tweede behoort of PSB c.s. onrechtmatig dan wel paulianeus heeft gehandeld en zij op grond daarvan de veroordeling van [verzoekster 2] tot betaling aan [A] op basis van het vonnis van 20 februari 2017 moet voldoen. In rov. 3.3, eerste zin zet het hof, onder het kopje “Schadevergoeding wegens onrechtmatig/paulianeus handelen” en in cassatie onbestreden, de ter zake door [verzoekers + betrokkene 1] aan PSB c.s. gemaakte verwijten uiteen:
“ [verzoekers + betrokkene 1] verwijt PSB c.s. zich schuldig te hebben gemaakt aan onrechtmatig dan wel paulianeus handelen doordat zij alle vermogensbestanddelen uit de vennootschap heeft gehaald zonder daarvoor een tegenprestatie te leveren, door jarenlang een juridische procedure te voeren namens [verzoekster 2] zonder aandeelhouder/directeur [betrokkene 1] hierbij te betrekken en omdat zij haar crediteuren selectief heeft betaald.”
Vervolgens behandelt het hof deze verwijten (“Het hof overweegt als volgt”, zie rov. 3.3, tweede zin). In rov. 3.3, zesde zin overweegt het hof over het eerste verwijt (“dat PSB c.s. vermogensbestanddelen uit de vennootschap heeft gehaald zonder daarvoor […]”
r.o. 3.13
“De klacht faalt. De in het subonderdeel bedoelde passage uit rov. 3.3, vijfde zin betreft, kort gezegd, alleen de volledigheidshalve gegeven overweging van het hof dat voor zover [verzoekers + betrokkene 1] nog zou willen betogen dat [verweerder 2] als bestuurder van [verzoekster 2] aansprakelijk is jegens [verzoeker 1] ( [A] ) vanwege een te onderscheiden ‘Beklamel’-verwijt, dit geen hout snijdt, reeds vanwege de onbetwiste stelling van PSB c.s. dat de verbintenissen met [A] in de periode zijn aangegaan voordat [verweerder 2] bestuurder was van [verzoekster 2] en dat [verweerder 2] in de periode dat hij bestuurder was geen enkele verbintenis is aangegaan met [A] noch met [verzoeker 1] . Met die passage brengt het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, dus niet (ook) tot uitdrukking dat [verweerder 2] “reeds hierom” óók ten aanzien van de andere in rov. 3.3 bedoelde verwijten van [verzoekers + betrokkene 1] aan PSB c.s. “niet een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.” Die andere verwijten, mede aan het adres van [verweerder 2] , beoordeelt het hof zelfstandig elders in rov. 3.3: wat betreft het ‘leegtrek’-verwijt in verbinding met het in rov. 3.4 overwogene (specifiek rov. 3.4, eerste t/m zeventiende regel, waarover ook onder 3.9 hiervoor), waarin het hof ook verdisconteert een verwijt aan [verweerder 2] als (feitelijk) bestuurder wegens diens betrokkenheid bij die gestelde gang van zaken. Zie onder 3.13 hiervoor. Dat het hof daarbij niet ook met zoveel […]”
r.o. 3.15