← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 april 2021

Bestuurdersaansprakelijkheid aannemer Curaçao; ernstig persoonlijk verwijt; motivering hof; conclusie tot verwerping

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Opdrachtgevers van een woningbouwproject op Curaçao stelden de bestuurder van de aannemingsvennootschap persoonlijk aansprakelijk wegens vooruitbetalingen en het stilleggen van de bouw. Het Gerecht en het hof wezen dit af bij gebrek aan een ernstig persoonlijk verwijt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep omdat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid correct is toegepast en voldoende gemotiveerd.

Kernoverwegingen

“De rechtsklacht strandt, nu deze uitgaat van een verkeerde lezing van (het eindvonnis en) het bestreden vonnis en daarmee feitelijke grondslag mist. In rov. 9 eindvonnis heeft het gerecht aangeknoopt bij rov. 3.5 van het Ontvanger/R.-arrest van de Hoge Raad voor zover deze niet ziet op de zogenoemde ‘Beklamel’-norm, op welk gevalstype van bestuurdersaansprakelijkheid (jegens een schuldeiser van de vennootschap, op de voet van onrechtmatige daad) het gerecht daarvóór is ingegaan, in rov. 7-8 eindvonnis. Rov. 9 eindvonnis mondt uit in een weergave van de norm die de Hoge Raad in dat arrest centraal stelt voor het andere daarin onderkende gevalstype van bestuurdersaansprakelijkheid (jegens een schuldeiser van de vennootschap, op de voet van onrechtmatige daad), te weten dat waar een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser eerst aansprakelijk kan worden gehouden “indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”.

Wat het gerecht daar heeft overwogen vanwege het Ontvanger/R.-arrest van de Hoge Raad, dat is toegesneden op aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap jegens een schuldeiser van die vennootschap, sluit aan bij bestendige rechtspraak van de Hoge Raad - daterend van […]”

r.o. 3.11

“De motiveringsklacht strandt eveneens, nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het daarin aangevoerde, afgezet tegen wat het hof doet voor zover het met rov. 3.1, tweede zin bestreden vonnis zich aansluit bij rov. 9-11 eindvonnis en die tot de zijne maakt, tot de slotsom zou moeten leiden dat door het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd waarom “van zodanig onzorgvuldig handelen geen sprake is”. Vooropgesteld zij dat het hof wat betreft [verzoekers] beroep op overtreding van art. 7:767 BW-C zich niet met rov. 3.1, tweede zin bestreden vonnis aansluit bij de overwegingen en beslissingen van het gerecht en deze aldus tot de zijne maakt, dus ook niet bij rov. 9-11 eindvonnis, maar dat beroep betrekt in rov. 3.3 bestreden vonnis, met inachtneming van het daartoe door [verzoekers] in eerste aanleg aangevoerde, waarop grief 4 van [verzoekers] in verbinding met grief 1 in zoverre ook aansluit (zie ook onder 3.4 hiervoor, alsmede onder 3.20 en 3.22 hierna). Voor zover het subonderdeel hier leunt op stellingen van [verzoekers] inzake dat beroep, zie onder g en i, loopt het daarop reeds vast. Zoals uiteengezet in het kader van onderdeel I (zie onder 3.3-3.5 hiervoor), verwerpt het hof grief 4 van [verzoekers] - afgezien dus van voornoemd beroep, waarover rov. 3.3 bestreden vonnis - omdat het blijkens rov. 3.1, tweede zin bestreden vonnis hier tot eenzelfde (door het procesdossier ingegeven) bewijswaardering komt als het gerecht, in het bijzonder […]”

r.o. 3.12

“Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat in de daarin aangehangen ‘voor zover’-benadering, oordeelt het hof, blijkens rov. 3.3 bestreden vonnis, juist niet dat schending van het met art. 7:767 BW-C gegeven voorschrift/verbod zonder enig belang is voor de beoordeling of [verweerster] als bestuurder dermate onzorgvuldig jegens [verzoekers] heeft gehandeld dat haar daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof betrekt daar immers nadrukkelijk een veronderstelde overtreding van art. 7:767 BW-C, wat wanprestatie of onrechtmatige daad zou kunnen opleveren, bij beantwoording van de vraag of [verweerster] in de omstandigheden van het geval een voor bestuurdersaansprakelijkheid vereist persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook overigens snijdt de aanknoping in het onderdeel bij rov. 32 tussenvonnis geen hout, nu het gerecht zich daarin alleen heeft uitgelaten over de (ontkennend beantwoorde) vraag of art. 7:767 BW-C zelf als grondslag kan dienen voor de door [verzoekers] van [verweerster] gevorderde schadevergoeding, te onderscheiden van de in rov. 35 tussenvonnis bedoelde grondslag van onrechtmatige daad, en niet (ook) over de vraag of overtreding van die bepaling van belang kan zijn voor de beoordeling of [verweerster] als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt te maken valt en zij deswege op de voet van onrechtmatige daad jegens [verzoekers] tot schadevergoeding kan zijn gehouden. Voor zover het hof […]”

r.o. 3.20

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:360
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
9 april 2021
Datum publicatie
3 mei 2021
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:7 BW, 2:248 BW, 7:767 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 14 van 2021

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.