Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 april 2021
Aansprakelijkheid bestuurder bij verhuur eigen perceel aan vennootschap; tegenstrijdig belang
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een vennootschap sprak haar voormalig enig bestuurder aan wegens het sluiten van huurovereenkomsten voor een perceel van de bestuurder zelf en een onereuze lening aan hemzelf. Het hof wees de vordering deels toe. In cassatie draait het om de vraag of het hof het tegenstrijdig belang had moeten vaststellen en meewegen. De A-G concludeert dat een tegenstrijdig belang niet zonder meer tot aansprakelijkheid leidt, dat het hof alle omstandigheden kenbaar heeft meegewogen en dat het cassatieberoep faalt.
Kernoverwegingen
“De door [eiseres] aan [verweerder] gemaakte verwijten dateren dus van voor de invoering van de Wet bestuur en toezicht, zodat in deze zaak art. 2:9 (oud) BW van toepassing is zoals die bepaling gold voor de invoering van die wet per 1 januari 2013:
“Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.”
De zogenoemde ernstigverwijtmaatstaf was in de bestuursperiode van [verweerder] dus nog niet in art. 2:9 BW gecodificeerd, maar geldt voor interne bestuurdersaansprakelijkheid op die voet zoals in deze zaak aan de orde al sinds 1997 als vaste rechtspraak van de Hoge Raad:
“[V]oor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 [is] vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende […]”
r.o. 3.2
“De regeling van art. 2:256 (oud) BW waarop het hof in rov. 3.7 eerste tussenarrest doelt, luidde voor de invoering van de Wet bestuur en toezicht per 1 januari 2013 als volgt:
“Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.”
Deze bepaling is per 1 januari 2013 vervallen en vervangen door de tegenstrijdig belangregeling van art. 2:239 lid 6 BW (voor bestuurders) en art. 2:250 lid 5 BW (voor commissarissen). Art. 2:256 (oud) BW blijft van toepassing op rechtshandelingen die zijn verricht voor de invoering van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013. De desbetreffende huurovereenkomst dateert zoals gezegd van 19 juni 2008.Art. 2:256, eerste zin (oud) BW is van regelend recht en biedt de mogelijkheid om het tegenstrijdig belang in de statuten ‘weg te schrijven’ in de zin dat het bestuur ook bij het bestaan van een tegenstrijdig belang bevoegd blijft de vennootschap te vertegenwoordigen. De statuten van [eiseres] heb ik in het procesdossier niet aangetroffen. In een vonnis in kort geding van 20 oktober 2009 tussen ASAP en [eiseres] heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat het tegenstrijdige belang in de statuten van [eiseres] is weggeschreven. In de memorie van antwoord zijdens [verweerder] c.s. wordt dat eveneens gesteld:
“Artikel […]”
r.o. 3.4
“Aangenomen wordt - en m.i. met juistheid - dat handelen door een bestuurder in strijd met art. 2:256, tweede zin (oud) BW, doordat hij kort gezegd de algemene vergadering van aandeelhouders niet tijdig informeert over het bestaan van een tegenstrijdig belang, zeker relevant is voor de contextuele beoordeling van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW of art. 6:162 BW, maar deze nog niet zonder meer doet vaststaan nu het daarbij gaat om álle omstandigheden van het geval.”
r.o. 3.5