Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 januari 2021
Formeel buitenlandse vennootschap: stelplicht en bewijslast, aansprakelijkheid bestuurder en dagelijks leidinggevende
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap naar het recht van Nevada wordt door haar wederpartij aangemerkt als formeel buitenlandse vennootschap, waardoor de bestuurder en de dagelijks leidinggevende hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de Wfbv. De A-G concludeert dat de rechter de stelplicht en bewijslast bij de vennootschap en haar bestuurders mocht leggen en dat hun stellingen over buitenlandse werkzaamheid en een werkelijke band met de Verenigde Staten te algemeen en onvoldoende onderbouwd waren. Hij adviseert het cassatieberoep te verwerpen.
Kernoverwegingen
“Met de rechtsklacht onder a en de rechtsklacht onder b betoogt subonderdeel 3.3 in wezen dat het hof hoe dan ook een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bewijsrecht. M.i. is dat niet het geval. De rechtbank heeft in rov. 4.31 van het eindvonnis geoordeeld: dat tussen partijen in geschil is of Readen, een vennootschap naar buitenlands recht (het recht van de Amerikaanse deelstaat Nevada) gevestigd te Henderson in de deelstaat Nevada van de Verenigde Staten (hierna: de V.S.), een formeel buitenlandse vennootschap is in de zin van art. 1 van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen (Wfbv); dat [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld van niet, en [verweerder] heeft gesteld van wel; dat van belang is om vast te stellen op welke partij in deze de stelplicht en bewijslast rust; en dat deze naar het oordeel van de rechtbank op de vennootschap (dus: Readen), en (in afgeleide zin) op de bestuurder (dus: [eiser 2] ) en de feitelijk leidinggevende (dus: [eiser 3] ), rust. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar wetsgeschiedenis en literatuur. In rov. 4.32 van het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld, kort gezegd, dat [eiser 2] en [eiser 3] – in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerder] – niet aan deze stelplicht hebben voldaan. Voor een goed begrip citeer ik rov. 4.31-4.32 van het eindvonnis:
“4.31. Tussen partijen is in geschil of Readen een formeel buitenlandse vennootschap is. [eiser 2] en [eiser 3] stellen van niet; [verweerder] stelt van wel. Van […]”
r.o. 3.21
“Dat brengt mij bij subonderdeel 3.2, welk subonderdeel in wezen betoogt dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan “de norm” van art. 1 Wfbv. M.i. is ook dat niet het geval. Zoals gezegd, komt het hof in rov. 5.18, tweede alinea naar de kern genomen tot het oordeel dat Readen c.s. althans [eiser 2] en [eiser 3] ook in hoger beroep niet aan hun stelplicht hebben voldaan wat betreft het vallen van Readen buiten het bereik van art. 1 Wfbv (dus: dat Readen geen formeel buitenlandse vennootschap is in de zin van die bepaling), zodat ter zake niet wordt toegekomen (aan bewijslevering door hen en dus evenmin) aan het bewijsaanbod van Readen c.s. Daarmee brengt het hof tot uitdrukking dat, waar – bij de vigerende stelplicht/bewijslast-verdeling, waarover onder 3.21 hiervoor – door Readen c.s. althans [eiser 2] en [eiser 3] daadwerkelijk geconcretiseerd inzichtelijk gemaakt had moeten worden dat sprake is van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat Readen geen formeel buitenlandse vennootschap is in de zin van art. 1 Wfbv, zij niet erin zijn geslaagd aldus uiteen te zetten dat de vork hier zo in de steel zit. Dit oordeel van het hof dat, kort gezegd, Readen c.s. daartoe onvoldoende hebben aangevoerd, geeft, anders dan het subonderdeel betoogt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 1 Wfbv. Bestudering van de memorie van grieven, in het licht van het subonderdeel, leert dat Readen c.s. daarin ter zake over het geheel genomen hebben […]”
r.o. 3.22