← Week 25

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 juni 2021

Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurders hebben ontvangen bedrag na vernietigd vonnis aan zichzelf en gelieerden uitbetaald

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Twee bestuurders van een B.V. zijn persoonlijk aansprakelijk gehouden jegens een schuldeiser, omdat zij een op grond van een later vernietigd vonnis ontvangen bedrag aan zichzelf en gelieerde partijen uitbetaalden. In zijn conclusie bij de Hoge Raad stelt de A-G dat voor een ernstig verwijt niet vereist is dat de bestuurders ook ernstig rekening moesten houden met vernietiging van het vonnis. Het gaat om een weging van alle omstandigheden. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Startpunt is het Ontvanger/R.-arrest van de Hoge Raad, dat is toegesneden op de hier aan de orde zijnde situatie waarin een schuldeiser (Sanitech) van de vennootschap (Montarlot) benadeeld wordt door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering en vervolgens een of meer bestuurders (de bestuurders) aansprakelijk stelt voor het feit dat de vordering niet is voldaan:

“3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf […]”

r.o. 3.3

“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 4.9 van het arrest overweegt het hof als volgt:

“4.9 Volgens vaste rechtspraak moet worden aangenomen dat de partij die door dreiging met executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Geen rekening houden met vernietiging in hoger beroep gebeurt met andere woorden voor eigen risico. Montarlot heeft weliswaar aangevoerd dat Sanitech vrijwillig betaald heeft, maar ook onder die omstandigheden moest Montarlot (en daarmee haar bestuurders) er in beginsel rekening mee houden dat het betaalde bedrag na een eventuele vernietiging in hoger beroep terugbetaald zou moeten worden.”

In rov. 4.16 overweegt het hof, daarop voortbouwend, als volgt:

“4.16 Zoals hiervoor overwogen moest Montarlot (en moesten daarmee haar bestuurders) in beginsel rekening houden met de mogelijkheid dat genoemd vonnis vernietigd zou worden.”

Het klaarblijkelijke vertrekpunt voor het hof is dat Montarlot en de bestuurders, logischerwijs reeds voordat de bestuurders overgingen tot de in rov. 4.12.b e.v. bedoelde betalingen, ermee bekend waren dat de rechtbank het vonnis van 26 februari 2014 had gewezen en dat Sanitech het bedrag van € 235.270,07 aan Montarlot had betaald welk bedrag Sanitech op basis van dat vonnis aan Montarlot […]”

r.o. 3.10

“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Bij de behandeling van subonderdeel 1.1, onder 3.3 hiervoor, ben ik ingegaan op de crux van ’s hofs aansprakelijkheidsoordeel dat uitmondt in rov. 4.19 van het arrest (en het dictum onder 6.3). Omwille van de leesbaarheid herhaal ik hier die uiteenzetting.In rov. 4.17 overweegt het hof dat “[g]elet op al deze feiten en omstandigheden de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt [kan] worden dat zij het door Sanitech betaalde bedrag hebben besteed aan de genoemde onverplichte betalingen, met verwaarlozing van het belang van Sanitech”, hetgeen hun aansprakelijkheid jegens Sanitech uit hoofde van onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade constitueert. Bezien in het licht van in het bijzonder rov. 4.9 , 4.10, slotzin en 4.11-4.18, lijdt het m.i. geen twijfel dat het hof daarbij in het bijzonder betrekt, kort gezegd: - dat Montarlot, en daarmee de bestuurders, in beginsel rekening ermee moesten houden dat het door Sanitech op basis van het vonnis van 26 februari 2014 op 1 april 2014 aan Montarlot betaalde bedrag, dat Montarlot op haar bankrekening ontving op 3 april 2014, na een eventuele vernietiging in hoger beroep, waarmee Sanitech dat bedrag onverschuldigd aan Montarlot zou hebben betaald, aan Sanitech terugbetaald zou moeten worden (vgl. rov. 4.9, 4.16); - dat, gelet op de toestand van Montarlot (en van Ascalon) in de relevante periode (waarin ook de onder rov. 4.12 opgesomde, met het door Montarlot van […]”

r.o. 3.26

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:655
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 juni 2021
Datum publicatie
30 juli 2021
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 2:248 BW, 2:11 BW, 6:102 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 25 van 2021

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.