Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 januari 2021
Hoorplicht jegens ex-bestuurder (artikel 2:8 BW) bij publicatie onderzoeksconclusies door vennootschap
- Overig Boek 2
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een voormalig bestuurder verwijt de vennootschap onrechtmatig handelen door conclusies van de raad van commissarissen uit een forensisch onderzoek te publiceren in een persbericht en het jaarverslag. De A-G oordeelt dat artikel 2:8 BW geen hoorplicht jegens een ex-bestuurder meebrengt, omdat die bepaling de verhoudingen binnen de rechtspersoon betreft. Ook wijst hij op de vrijheid van bestuurders bij de inhoud van het jaarverslag (artikel 2:391 BW). Hij concludeert wel tot vernietiging en verwijzing, omdat het hof het kernbezwaar over de good governance-conclusie onvoldoende heeft gemotiveerd.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.8 waar het hof oordeelt dat de RvC niet de plicht had [eiser] te horen, mede omdat [eiser] door BDO was gehoord, de RvC ervan mocht uitgaan dat het onderzoek van BDO volledig was geweest en dat de RvC op verantwoorde wijze conclusies aan het rapport kon verbinden zonder ook zelf [eiser] te horen. In randnummers 15-17 richt [eiser] hier rechts- en motiveringsklachten tegen die er onder verwijzing naar passages in de gedingstukken in feitelijke aanleg op neerkomen dat hij wel het nodige heeft aangevoerd ter onderbouwing van een separate hoorplicht voor de RvC alvorens te concluderen en te publiceren, gelet op de aard van de beschuldigingen, de voor hem te verwachten gevolgen en de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid (randnummer 15). Dat geen algemene rechtsplicht tot het horen van hem als voormalig bestuurder bestond, bestrijdt [eiser] ook (randnummer 16). Zonodig onder aanvulling van rechtsgronden had het hof volgens de rechtsklacht hier art. 2:8 BW behoren toe te passen. Althans had een hoorplicht moeten worden aangenomen op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm, zo besluit [eiser] in randnummer 17.”
r.o. 2.22
“Het oordeel dat geen algemene rechtsplicht bestaat voor een vennootschap om een ex-bestuurder te horen voordat de RvC conclusies verbindt aan een rapport dat mede betrekking heeft op het functioneren van het voormalige bestuur waar de betreffende bestuurder deel van uitmaakt, lijkt mij juist. Een door [eiser] bepleite rechtsregel in tegenovergestelde zin heb ik niet kunnen vinden en wordt door [eiser] ook niet overtuigend onderbouwd. De bijzondere uit art. 2:8 BW voortvloeiende hoorplicht bij een voorgenomen ontslag of schorsing van een bestuurder leent zich niet voor analoge (ruime) toepassing. [eiser] was al twee jaar geen bestuurder meer. Art. 2:8 BW richt zich tot de rechtspersoon en zijn institutioneel betrokkenen: zij die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken. Zoals uit de redactie van art. 2:8 BW blijkt, heeft de bepaling uitsluitend betrekking op de verhoudingen binnen de rechtspersoon. De klacht bepleit onder randnummer 16 op zichzelf terecht dat de wetgever een ruime uitleg geeft aan de passage “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Uit de wetsgeschiedenis leid ik echter af dat daarmee wordt bedoeld dat ook de houders van met medewerking van de vennootschap zelf uitgegeven certificaten (bij de BV sinds 1 oktober 2012: certificaten waaraan vergaderrechten zijn verbonden), vruchtgebruikers, pandhouders van aandelen en bijvoorbeeld een gemeentebestuur dat statutair bevoegd is een deel van de […]”
r.o. 2.24
“Maar daar kan geredelijk anders over worden gedacht. In het oordeel van het hof dat - de RvC de taak had zich een eigen oordeel te vormen en daarbij beoordelingsvrijheid had (rov. 3.17); - de RvC het advies van de OR kennelijk niet overtuigend achtte en dat advies er niet toe hoefde te leiden dat de RvC zijn conclusies zou wijzigen (rov. 3.17); - de zaak [betrokkene 2] klaarblijkelijk betrekking had op een andere vraag dan wat in het BDO-rapport ter beoordeling voorlag (namelijk de vraag of [betrokkene 2] een ontslagvergoeding toekwam) en dat deze zaak daarom en gelet op de beoordelingsvrijheid de RvC niet tot heroverweging of nuancering van zijn conclusies hoefde te brengen te brengen (rov. 3.17); - de RvC dus redelijkerwijs zijn oordeel kon handhaven dat de door hem uit het BDO-rapport getrokken conclusies ten tijde van de publicatie van het jaarverslag nog steeds gerechtvaardigd waren (rov. 3.17 en 3.18); - de publicatie van deze conclusies in het jaarverslag dus niet onrechtmatig was (rov. 3.18); ligt besloten dat het hof het niet nodig vond dat in het jaarverslag melding werd gemaakt van het OR-advies en de uitspraak in de zaak [betrokkene 2] om een getrouw beeld te geven. Dit is begrijpelijk te achten in het licht van het gegeven dat bestuurders grote vrijheid hebben bij het bepalen van de inhoud van het jaarverslag (of bestuursverslag), uiteraard binnen de grenzen die de wetgever hen laat (vgl. art. 2:391 BW). Daaronder begrepen is de verplichting een getrouw beeld te […]”
r.o. 2.34