Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 24 september 2021
Middellijk bestuurder persoonlijk aansprakelijk wegens onttrekking vermogen ten nadele van geldschuldeiser; appelprocesrechtelijke klachten
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een middellijk bestuurder onttrok na een activaverkoop vermogen aan zijn vennootschap en liet een geldschuldeiser onbetaald; het hof achtte hem uit onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk wegens een ernstig verwijt. In cassatie gaat het vooral om appelprocesrechtelijke klachten over het grievenstelsel, de grenzen van het partijdebat en een gepasseerd verweer. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De klacht faalt, gelet op het volgende.Ik maak, voor zover relevant, eerst enkele opmerkingen over de aard van het appelprocesrecht. Het hoger beroep dient niet alleen tot het bestrijden van het oordeel van de eerste rechter, maar geeft ook de mogelijkheid tot verbetering en aanvulling van hetgeen een partij in eerste aanleg gedaan heeft; het hoger beroep biedt aldus, kort gezegd, een integrale herkansing. De appelrechter is - behoudens, in essentie, regels van openbare orde - gebonden aan de door de memorie van grieven, de (eventueel gewijzigde) vordering en, als dit zich voordoet, het incidenteel beroep aangegeven grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, binnen welke grenzen de appelrechter zelfstandig opnieuw moet beoordelen en beslissen. In de kern kent het hoger beroep twee fasen van beoordeling: (i) het beoordelen van de grieven; en (ii) bij het slagen van een of meer van de grieven, het beoordelen van het geschil voor zover dat door deze grieven is ontsloten in hoger beroep.M.i. blijkt uit het eindarrest niet dat het hof dit miskent, ook niet in de door de klacht “aangevallen overwegingen van het Hof”.Het hof overweegt onder “3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven” in rov. 3.3 eindarrest, in cassatie onbestreden, dat de rechtbank in haar eindvonnis het tegen [eiser] wegens bestuurdersaansprakelijkheid gevorderde heeft afgewezen op de gronden (i) “dat bestuurdersaansprakelijkheid in de (door de faillietverklaring) geschorste procedure tegen de […]”
r.o. 3.3
“De klacht faalt, gelet op het volgende.Voor zover de onderhavige klacht voortbouwt op de daaraan voorafgaande klacht in het onderdeel, die faalt, waarover onder 3.2-3.3 hiervoor, deelt de onderhavige klacht in het lot van die daaraan voorafgaande klacht. Ook overigens strandt de onderhavige klacht.Ik start met [A] en rov. 4.6 eindvonnis, waaruit de klacht deels citeert. De volledige tekst van rov. 4.6 eindvonnis luidt als volgt: “Ten aanzien van de vordering jegens [A]”
r.o. 3.5
“De klacht faalt, gelet op het volgende.Gelet op de door het onderdeel genoemde vindplaats en de portee van de klacht, heeft deze het oog op de volgende passage uit de memorie van antwoord:
“Overigens had [verweersters] [ [verweersters] , A-G] risicodragend kapitaal geïnvesteerd met de leningen om de liquiditeit van [A] te versterken, hierbij ligt het dan ook niet voor de hand om de leningen direct/versneld af te lossen. [verweersters] was ook volledig op de hoogte van de financiële positie van [A] ten tijde van de verstrekte geldleningen. Dit wordt ook bevestigd in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis in eerste aanleg d.d. 31 januari 2018 waarin de rechtbank vermeld [verschrijving in origineel, A-G]:
“In tegendeel, uit de stellingen van [betrokkene 2] ter comparitie blijken [verschrijving in origineel, A-G] dat hij bekend was met de financiële problemen van [A] en dat de gelden zijn verstrekt om [A] te ondersteunen.”N.B. tegen deze rechtsoverweging is geen grief ingesteld!”
[cursivering in origineel, A-G]
Ik kan hierin geen kenbaar - laat staan gemotiveerd - beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 6:101 lid 1 BW ontwaren, zoals bedoeld in de klacht; veeleer een te onderscheiden betoog(je) met als strekking dat het, gegeven de financiële positie van [A] ten tijde van de verstrekte geldleningen ter versterking van haar liquiditeit, met welke positie [verweersters] toen bekend waren (zoals ook volgt uit rov. 4.3 eindvonnis), niet voor de hand lag om de leningen […]”
r.o. 3.7