Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 december 2022
Enquête: reikwijdte wanbeleidsoordeel in tweede fase na beperkte onderzoeksopdracht en kostenverhaal
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een tweedefase-enquête had de OK het onderzoek op verzoek van partijen beperkt tot de financiële verhoudingen binnen een groep. De curator klaagt in cassatie dat de OK geen wanbeleid heeft vastgesteld en de onderzoekskosten niet op de beleidsbepalers heeft verhaald. De A-G concludeert tot verwerping: het wanbeleidsoordeel op grond van artikel 2:355 BW sluit aan bij de onderzoeksopdracht, en het afwijzen van kostenverhaal op grond van artikel 2:354 BW is begrijpelijk gemotiveerd.
Kernoverwegingen
“Blijkens 3.5.1-3.5.3 hiervoor gaat de OK in de beschikking ervan uit dat het door de onderzoeker verrichte onderzoek en diens ter griffie gedeponeerde verslag daarvan zijn toegesneden op het verkrijgen van duidelijkheid over genoemde financiële verhoudingen. Dit conform de door haar - op verzoek van partijen en de door de OK benoemde functionarissen ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) - bepaalde onderzoeksopdracht aan de onderzoeker, waarmee zij het onderwerp van het gelaste onderzoek nadrukkelijk had teruggeschroefd en begrensd tot die kwestie van de financiële verhoudingen. En verder dat in dit onderzoek en verslag door de onderzoeker, eveneens conform genoemde onderzoeksopdracht, slechts aandacht is besteed aan de “gang van zaken met betrekking tot Belview en 132M” (op zichzelf dus buiten het onderwerp van het gelaste onderzoek vallend) voor zover dit in functie staat van dat onderwerp van het gelaste onderzoek, want voor zover dit licht werpt op gebeurtenissen in de onderzoeksperiode of voor een goed begrip van die financiële verhoudingen nodig is. Welke gang van zaken op grond van de beschikkingen van 11 februari 2016, 9 juni 2016 en 18 oktober 2018 geen zelfstandig voorwerp van onderzoek is. In lijn daarmee beoordeelt de OK, zich daarbij ten volle baserend op het onderzoeksverslag en het processuele debat, of de bevindingen van de onderzoeker inzake dat onderwerp van het gelaste onderzoek basis bieden voor het aannemen van wanbeleid van Prien Holding en/of Gravier. […]”
r.o. 3.6.1
“Art. 2:355 lid 1 BW, waarop het subonderdeel wijst, verzet zich hiertegen niet. Dat luidt:
“Indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, kan de ondernemingskamer op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers en, indien het verslag voor hen ter inzage ligt, op verzoek van anderen die aan de in artikel 346 of 347 van dit Boek gestelde vereisten voldoen, of op verzoek van de advocaat-generaal, ingesteld om redenen van openbaar belang, een of meer van de in het volgende artikel genoemde voorzieningen treffen, welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht.”
Daaruit volgt dat als uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken de OK op verzoek van bepaalde personen een of meer van de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen kan treffen, welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. Dit moet mede worden bezien in het licht van het stelsel van de wettelijke regeling van het enquêterecht als vervat in Titel 8, Afdeling 2 van Boek 2 BW, waarvan het onderzoek de kern vormt. Daartoe behoort art. 2:345 lid 1 BW. Dat luidt:
“Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens de artikelen 346 en 347 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. Onder het beleid en de gang van zaken van een […]”
r.o. 3.6.2
“Het voorgaande strookt ook met rechtspraak van de Hoge Raad. Illustratief is zijn Cordial-beschikking uit 2019, waarin de Hoge Raad ook put uit de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke regeling en eerdere beschikkingen. Daaruit blijkt het volgende. - Slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (art. 2:349 lid 1 BW) naar voren zijn gebracht, kunnen ten grondslag worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. Indien de OK een enquête gelast, dient het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval te zijn gericht op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de OK blijkens haar uitspraak tot het oordeel hebben gebracht dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW). Het verslag van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden waarop die bezwaren rusten, vormt immers weer de grondslag voor de rechterlijke oordeelsvorming over de vraag of daadwerkelijk sprake is van wanbeleid (art. 2:355 lid 1 BW). - Dit betekent echter niet dat het door de OK te bevelen onderzoek beperkt dient te blijven tot de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat blijkt van zulke gegronde redenen. Het staat haar vrij de onderzoeker op te dragen of toe te staan om ook andere bezwaren in zijn onderzoek te betrekken. Dit strookt met de grote mate van vrijheid die de […]”
r.o. 3.6.3