← Week 6

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 februari 2022

Schorsing en ontslag directeur-bestuurder stichting; voorlopige voorziening artikel 2:15 BW

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een directeur-bestuurder van een stichting die een school bestuurt, vordert in kort geding op grond van artikel 2:15 BW buitenwerkingstelling van zijn schorsing en ontslag. Het hof wees dit af: het ontslag was voorshands rechtsgeldig genomen en de ontslaggrond, verlies van vertrouwen, was niet onverenigbaar met de eisen van Boek 2 BW. De A-G concludeert dat de cassatieklachten, waaronder die over een vermeend defungerende raadsheer en over de motivering, falen.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.Het Gemeenschappelijk Hof, dat in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep rechtspreekt, telt onder zijn leden een groot aantal rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (kort gezegd: rechters in rechtbanken, raadsheren in gerechtshoven) die tijdelijk zijn uitgezonden. Deze rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland worden op voordracht van de Rijksministerraad bij koninklijk besluit benoemd als lid van het Gemeenschappelijk Hof (art. 23 lid 1 Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie) en treden dan bij het Gemeenschappelijk Hof in dienst. Alhier, in het Europese deel van Nederland, pleegt hen voor de duur van de uitzending overzee (op eigen verzoek) buitengewoon verlof te worden verleend als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (dus, kort gezegd: als rechter in de rechtbank, als raadsheer in het gerechtshof), met de kennelijke bedoeling dat zij na verloop van enige tijd (normaliter enige jaren), na ommekomst van de termijn van de uitzending, terugkeren en hun werkzaamheden als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland hervatten (dat buitengewoon verlof neemt dan normaliter dus weer een einde). Dit valt als gangbare praktijk aan te merken.Het voorgaande strookt met de gang van zaken in de onderhavige zaak, zoals mede […]”

r.o. 3.4

“De eerste klacht van het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Anders dan de klacht veronderstelt, besteedt het hof in rov. 3.19 van het arrest in het kader van het ontslagbesluit van 2 juni 2020 wel degelijk aandacht aan de door SIO - via [betrokkene 1] , als enig overgebleven lid van het algemeen bestuur - aan dat ontslag op staande voet van [eiser] als bestuurder van SIO en als dagelijks bestuurder van de school ten grondslag gelegde redenen. In rov. 3.19 van het arrest overweegt het hof onder meer dat [betrokkene 1] , kort gezegd, aan dit besluit ten grondslag heeft gelegd het vertrouwen in [eiser] als bestuurder te hebben verloren, alsmede dat niet is gebleken dat die ontslaggrond onverenigbaar is met de daaraan (op grond van Boek 2 BW) te stellen eisen. Met die “grondslag” (“ontslaggrond”) doelt het hof duidelijk op de inhoud van de in rov. 2.21 van het arrest bedoelde ontslagbrief van 2 juni 2020 van SIO (via [betrokkene 1] ) aan [eiser] , waaruit het hof daar ook citeert en - zoals tevens blijkt uit rov. 3.6 van het arrest (“op basis van de hiervoor onder 2.21 weergegeven derde ontslaggrond, te weten de weigering tot afgifte van de in het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 genoemde zaken”) - drie te onderscheiden ontslaggronden opmaakt (in die brief geduid als “dringende redenen die ten gevolge hebben dat van het algemeen bestuur redelijkerwijs niet gevergd kan worden de samenwerking met u voort te zetten”), door het hof in rov. 3.19 van het arrest herleid tot, […]”

r.o. 3.9

“Ook de tweede klacht van het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 3.20 van het arrest overweegt het hof onder meer dat:

“[o]ok indien het schorsingsbesluit van 25 mei 2020, achteraf bezien, onterecht was, overeind [blijft] dat hij [ [eiser] , A-G] vanaf 2 juni 2020 rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder.”

Dit sluit mede in dat naar ’s hofs oordeel ook dan blijft staan wat het hof in rov. 3.19, laatste twee zinnen van het arrest overweegt, oftewel dat ook dan onder meer overeind blijft dat niet is gebleken dat de daar bedoelde “ontslaggrond” (door het hof in rov. 3.19, voorlaatste zin van het arrest samengevat als verlies van het vertrouwen zijdens SIO in [eiser] als bestuurder) onverenigbaar is met de daaraan (op grond van Boek 2 BW) te stellen eisen, hetgeen veronderstelt dat voor dat verlies van het vertrouwen zijdens SIO in [eiser] als bestuurder (“die ontslaggrond”) dan nog steeds afdoende redenen aanwezig zijn. Naar hieruit volgt, dienen rov. 3.19, laatste twee zinnen van het arrest niet in isolement te worden bezien, maar (tevens) in onderling(e) verband en samenhang met rov. 3.20, slotzin van het arrest. Ook zonder nadere motivering door het hof is dat oordeel niet onvoldoende begrijpelijk, gelet ook op rov. 2.18, 2.21 en 3.6 van het arrest waarop het hof terugvalt met die overwegingen in rov. 3.19 en 3.20 van het arrest, waarover onder 3.9 hiervoor. Daaruit blijkt immers mede dat het hof wat betreft het ontslag van [eiser] bij ontslagbesluit van SIO […]”

r.o. 3.10

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:132
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
11 februari 2022
Datum publicatie
8 maart 2022
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:15 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 6 van 2022

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.