Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 februari 2022
Vernietigbaarheid ontslagbesluit lid algemeen bestuur stichting; belang ontbreekt, A-G concludeert tot verwerping
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een kortgedingzaak over een bestuurscrisis bij een onderwijsstichting vordert een ontslagen lid van het algemeen bestuur buitenwerkingstelling van zijn ontslagbesluit, omdat dit nietig of vernietigbaar zou zijn op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Het hof oordeelde dat de oproeping weliswaar in strijd met de statuten was, maar dat het bestuurslid geen belang had bij vernietiging en zijn zienswijze via zijn advocaat had kunnen geven. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen, ook die over het vermeende defungeren van een raadsheer, en strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“In rov. 3.5-3.6 van het arrest overweegt het hof als volgt:
“3.5In zijn toelichting op deze grieven betoogt [eiser] , zakelijk weergegeven, dat het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en/of vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. [eiser] voert hiertoe aan: (i) dat in de oproep voor deze vergadering van 12 mei 2020 niet was vermeld dat zijn ( [eiser] ) ontslag als bestuurder op de agenda stond, maar dat dit pas op 26 mei 2020 aan de agenda is toegevoegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten; (ii) dat het besluit niet is genomen met het krachtens artikel 12 lid 2 van de statuten voorgeschreven quorum aan stemmen. ten aanzien van (i)”
r.o. 3.6
“Zoals de onder 3.6 hiervoor door mij in het citaat van rov. (3.5-)3.6 van het arrest aangebrachte “[1]” en “[2]” laten zien, wordt ’s hofs oordeel daarin (zie in het bijzonder rov. 3.6, eerste twee zinnen van het arrest) door twee zelfstandige gronden gedragen: die onder [1] en die onder [2]. Nu het hof met de onder [2] bedoelde grond - anders dan met de onder [1] bedoelde grond - niet ook vooruitloopt op rov. 3.7-3.13 van het arrest, en de onder [2] bedoelde grond alleen wordt bestreden door subonderdeel II.c (niet (ook) door subonderdeel II.a en/of subonderdeel II.b, die slechts gericht zijn tegen de onder [1] bedoelde grond), start ik met subonderdeel II.c.”
r.o. 3.7
“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.De in rov. 3.6 (en 2.19) van het arrest genoemde en ook door het subonderdeel bedoelde e-mail van 27 mei 2020 is afkomstig van mr. (W.J.) Tielemans en gezonden aan [betrokkene 1] . Aan deze e-mail is een ‘tot mij wendde zich-brief’ d.d. 27 mei 2020 gehecht, afkomstig van de toenmalige advocaten van [betrokkene 2] en [eiser] , en gericht tot [betrokkene 1] . Deze brief luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Wij namen (onder meer) kennis van (…) de (gewijzigde) agenda voor de voor vandaag (eenzijdig) geagendeerde bestuursvergadering. Uit deze gewijzigde agenda leiden wij af dat u (onder meer) voornemens bent om [eiser] als bestuurder-secretaris te ontslaan en daarnaast om diverse overige (functie)wijzigingen in het bestuur door te voeren. De wijze waarop u uw bestuurstaak de laatste tijd uitvoert kan kort samengevat niet door de beugel. De bestuursbesluiten die u neemt (of tracht te nemen) zijn op meerdere punten in strijd met de wet en de statuten, alsmede in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de betrokkenen in een rechtspersoon onderling in acht dienen te nemen. Daarnaast berokkent u met uw handelwijze onomkeerbare schade toe aan de SIO en het Cornelius Haga Lyceum, onder meer door de wijze waarop u de diverse media hierbij kennelijk betrekt en de personeelsleden op de werkvloer benadert waardoor er onrust veroorzaakt wordt. (…) Ten aanzien van de vergadering van vandaag geldt dat [eiser] niet bij deze vergadering […]”
r.o. 3.9