Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 maart 2022
Verbod en ontbinding Hells Angels-organisaties wegens strijd met openbare orde (artikel 2:20 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het OM wil de wereldwijde Hells Angels-organisatie en haar Nederlandse tak laten verbieden wegens strijd met de openbare orde (artikel 2:20 BW). Het hof wees dat toe voor de wereldwijde en de Nederlandse organisatie. De afdelingen met eigen rechtspersoonlijkheid vallen niet onder het verbod, omdat artikel 2:20 BW strikt wordt uitgelegd. De A-G concludeert dat de cassatieberoepen van beide kanten moeten worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Bij genoemde beschikking van 15 december 2020 heeft het hof: de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 vernietigd voor zover daarin in de uitgesproken verklaring voor recht is opgenomen dat HAM Corporation onderdeel uitmaakt van HAMC en voor zover die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard; die beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, met verbetering van gronden; het OM (in de zaak tegen HAM Corporation) in de kosten veroordeeld van beide instanties en van het incident (zie onder 2.12 hiervoor); en het meer of anders verzochte afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen: “(…)”
r.o. 2.16
“De subonderdelen 1.1 en 1.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.31 van de beschikking vat het hof samen wat het OM ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd. In rov. 5.32 geeft het hof de uitvoerige betwisting daarvan door de Stichting c.s. weer. Vervolgens overweegt het hof in rov. 5.33 dus als volgt:
“5.33. Het hof gaat niet in op de algemene kritiek van de Stichting c.s. op het OMG-beleid en op de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht. Het debat over de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ laat het hof ook onbesproken. Het hof stelt alleen vast dat motorclubs met deze aanduiding zich nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde en zich presenteren als clubs met eigen regels, waarbij vrijgevochtenheid, eergevoel en broederschap (onderling respect binnen de club, hulp en steun met alle middelen tegen buitenstaanders) centraal staan. Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren.”
Deze vaststelling van het hof in rov. 5.33 komt terug in rov. 5.36, dat dus als volgt luidt:
“5.36. Het hof gaat eerst in op de bedoelde cultuur. Onbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels […]”
r.o. 3.5
“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Art. 22 Rv behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechter om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen.Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. De rechter hoeft zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid ex art. 22 Rv, al zal hij een gemotiveerd verzoek van een van de partijen om toepassing te geven aan art. 22 Rv uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Ik citeer Tjong Tjin Tai:
“Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. Volgens de minister [zie Kamerstukken II 99/20, 26855, 5, p. 28, A-G] behoeft de rechter zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek van partijen om gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv, al zal de rechter een gemotiveerd verzoek van een der partijen terzake uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Aangezien de rechter dienaangaande een discretionaire bevoegdheid heeft, kunnen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de rechter terzake. Een partij die het overleggen van bescheiden door haar wederpartij wil afdwingen, kan - indien aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van deze bepaling is voldaan - […]”
r.o. 3.9