← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 april 2022

Enquêteverzoek aandeelhouder afgewezen; maatstaf gegronde redenen en niet op redelijke grond gedaan

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure bij een vennootschap die een beursgang voorbereidt, heeft de OK het zelfstandige enquêteverzoek van een grootaandeelhouder afgewezen omdat het op ongefundeerde veronderstellingen berustte, en geoordeeld dat het niet op redelijke grond was gedaan. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de maatstaf van artikel 2:350 lid 1 BW, de motivering en de toepassing van artikel 2:350 lid 2 BW falen. Het cassatieberoep moet volgens hem worden verworpen.

Kernoverwegingen

“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. Art. 2:350 lid 1 BW luidt als volgt:

“De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.”

Op deze maatstaf heeft de OK kenbaar het oog waar zij in rov. 4.18 van de beschikking naar de kern genomen overweegt dat het in rov. 4.14 (en 1.6) bedoelde en in rov. 4.18 behandelde verzoek van Olympus, waartegen gemotiveerd verweer is gevoerd door CAI, IAS c.s. en [de CEO] , “geen gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van CAI [inhoudt]” en daarom zal worden afgewezen. Dit gelet op het ontbreken van de zijdens Olympus vereiste gedegen en concrete onderbouwing van het door haar ter zake aangevoerde (dat de OK samenvattend weergeeft in rov. 4.14), welke feitelijke stellingname Olympus dus niet aannemelijk heeft kunnen maken. Naar hieruit volgt, is het springende punt voor de OK in rov. 4.18 niet zozeer dat Olympus niet erin is geslaagd om “een onjuist beleid of een onjuiste gang van zaken” bij CAI aannemelijk te maken. Dat is te weinig precies. Wel dat Olympus niet erin is geslaagd om dat wat zij feitelijk ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog ter zake (in het bijzonder dus dat inzake CAI sprake is van de in art. 2:350 lid 1 BW bedoelde “gegronde redenen”, etc., de hier toepasselijke maatstaf) van de vereiste gedegen en concrete onderbouwing te voorzien, oftewel deze feitelijke stellingname […]”

r.o. 3.3

“De subonderdelen I.b en I.c lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 4.14 van de beschikking overweegt de OK als volgt:

“4.14 Olympus heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van CAI en dat de toestand van de vennootschap nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft zij - samengevat - het volgende naar voren gebracht. [1] Olympus twijfelt of het bestuur van CAI nog wel zelfstandig functioneert en meent dat er aanleiding is te veronderstellen dat bestuursleden handelen met een aan de vennootschap tegenstrijdig belang, zij de belangen van minderheidsaandeelhouders veronachtzamen en met elkaar samenspannen en hun stemgedrag onderling afstemmen om hun belangen boven die van de vennootschap en de andere aandeelhouders te stellen. [2] [a] Het bestuur tracht de QIPO hoe dan ook door te zetten en [b] slaat daarbij de belangen van minderheidsaandeelhouders als Olympus in de wind. [3] Zij wijst erop dat de door ADB voorgedragen bestuurder op oneigenlijke gronden is afgewezen. [4] [de CEO] werpt zich op als de voorman van een groep Italiaanse aandeelhouders die zich hebben verenigd teneinde hun eigen belangen na te streven en een beleid te voeren dat erop is gericht de rechten van de minderheidsaandeelhouders opzij te zetten.”[[1] t/m [4] toegevoegd, A-G]

Naar de kern genomen overweegt de OK in rov. 4.18 dus dat […]”

r.o. 3.6

“Ik maak eerst enkele inleidende opmerkingen over art. 2:350 lid 2 BW.Deze bepaling luidt als volgt:

“Indien de ondernemingskamer het verzoek [tot het bevelen van een onderzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW, A-G] afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de rechtspersoon tegen de verzoeker of verzoekers bij de ondernemingskamer een eis instellen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek lijdt. Voor de instelling van een vordering tegen een verzoeker geldt als diens woonplaats mede de woonplaats die hij voor de indiening van het verzoek heeft gekozen.”

In de voorloper hiervan uit 1929, toen nog opgenomen in art. 53a (oud) WvK, was op dit punt slechts bepaald:

“(…) Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij te gelijker tijd den verzoeker of den verzoekers veroordelen tot vergoeding van de schade aan de vennootschap door de indiening van het verzoek veroorzaakt.”

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat deze bepaling en de daarmee geschapen faciliteit - die destijds nog geen tekstuele beperking tot bepaalde gevallen van een afgewezen enquêteverzoek kende - een van de door de wetgever beoogde middelen was om gevreesd misbruik van het enquêterecht tegen te gaan, specifiek lichtvaardige enquêteverzoeken. De bepaling in zijn huidige vorm is ingevoerd, destijds ook nog in art. 53a (oud) WvK (thans dus art. 2:350 lid 2 BW), op voorstel van de zogeheten Commissie Verdam. De idee achter de […]”

r.o. 3.23

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:347
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
8 april 2022
Datum publicatie
19 mei 2022
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:349a BW, 2:350 BW, 2:8 BW, 2:129 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 14 van 2022

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.