Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 januari 2022
Matiging boedeltekort bij bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 lid 4 BW; limitatieve matigingsgronden
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie over bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement beoordeelt de A-G de matigingsregeling van artikel 2:248 lid 4 BW. De bestuurders waren aansprakelijk voor het boedeltekort omdat de jaarrekeningen te laat waren gedeponeerd. De A-G acht de matigingsgronden limitatief en meent dat het hof de matiging voldoende begrijpelijk heeft afgewezen. De A-G ziet geen grond voor cassatie.
Kernoverwegingen
“Ten aanzien van de in art. 2:248 lid 4 BW genoemde gronden voor matiging, in zowel de collectieve matigingsvariant als de individuele matigingsvariant daarvan, is de heersende leer in de literatuur - dikwijls onder verwijzing naar feitenrechtspraak, en conform ook de tekst, strekking en parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid 4 BW - dat de rechter gebonden is aan deze matigingsgronden (deze zijn daarin dus uitputtend opgesomd, oftewel: deze zijn limitatief) en dat aan de algemene civielrechtelijke matigingsregeling van art. 6:109 BW niet wordt toegekomen los van de op het stelsel van art. 2:248 BW toegesneden regeling van art. 2:248 lid 4 BW. Dit een en ander laat evenwel onverlet dat die in art. 2:248 lid 4 BW genoemde gronden voor matiging, in het bijzonder de drie in art. 2:248 lid 4, eerste zin BW vervatte matigingsgronden, op zichzelf maar ook (voor zover van toepassing) onderling gecombineerd toepasbaar kunnen zijn in een concreet geval en dat het, gezien ook de functie van art. 2:248 lid 4 BW (als een “waarborg tegen onredelijke consequenties” van het stelsel van art. 2:248 BW), niet in de rede ligt het toepassingsbereik van ieder van deze matigingsgronden in onevenredig vergaande mate te beperken via een in algemene zin geldende, zo restrictief mogelijke invulling daarvan, al zijn deze gronden daar dus uitputtend opgesomd. Zoals volgt uit 3.2-3.8 hiervoor dwingen de tekst, strekking en parlementaire geschiedenis van art. 2:248 (lid 4) BW ook niet tot zo’n […]”
r.o. 3.9
“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel veronderstelt dat “de opsomming van de collectieve matigingsgronden in art. 2:248 lid 4 BW” - dus de collectieve matigingsvariant in art. 2:248 lid 4, eerste zin BW - “niet limitatief” is, en klaagt naar de kern genomen dat het hof dit miskent in rov. 3.27 van het arrest. Het subonderdeel gaat daarmee uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht. Daarmee valt ook de bodem weg onder het betoog in het subonderdeel dat het hof “daardoor” in rov. 3.27 van het arrest niet kon volstaan met “de enkele constateringen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, geen onbelangrijk verzuim, niet aannemelijk is geworden dat er andere oorzaken van het faillissement zijn geweest en evenmin dat de curator de boedel onjuist heeft afgewikkeld”, en ook gehouden was gemotiveerd in te gaan op de omstandigheden zoals bedoeld in de subonderdelen 1.2 en 1.5 (op welke subonderdelen ik terugkom onder 3.14-3.19 en 3.23-3.24 hierna), waarmee het subonderdeel kennelijk bedoelt: voor zover deze ‘omstandigheden’ niet vallen onder hetgeen het hof betrekt in rov. 3.27 van het arrest, waarbij zij aangetekend dat het hof - inderdaad, en niet ten onrechte, gezien ook de feiten en het partijdebat - zijn beoordeling hier toespitst op de in art. 2:248 lid 4, eerste zin BW genoemde matigingsgronden (dat art. 2:248 lid 4, tweede zin BW hier zou kunnen spelen, valt niet in te zien en is door [eisers] ook niet aangevoerd). […]”
r.o. 3.13
“In rov. 3.27 van het arrest overweegt het hof als volgt:
“Matiging van het boedeltekort waarvoor [eisers] aansprakelijk is”
r.o. 3.17