Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 januari 2022
Externe bestuurdersaansprakelijkheid: Beklamel-maatstaf bij onverhaalbare boete uit koopovereenkomst
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een schuldeiser stelt de bestuurder en enig aandeelhouder van een B.V. persoonlijk aansprakelijk omdat de B.V. een koopovereenkomst sloot zonder de contractuele boete bij niet-nakoming te kunnen betalen. Rechtbank en hof wezen de vordering af, omdat de bestuurder geen persoonlijk ernstig verwijt trof. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen: het hof heeft de Beklamel-maatstaf juist toegepast en er is geen aanleiding voor een lagere drempel.
Kernoverwegingen
“Het subonderdeel faalt in zoverre, gelet op het volgende.Overeenkomstig het door [eiser] aangevoerde, beoordeelt het hof in rov. 14-20 arrest, te lezen in het licht van rov. 9-13 arrest, of [verweerder 3] als bestuurder van CAI persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat hij op 1 juni 2017 de koopovereenkomst met [eiser] heeft gesloten terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat CAI de verplichtingen uit de koopovereenkomst jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen en CAI geen verhaal zou bieden (zie rov. 12 arrest en de daar bedoelde “kernvraag”), welke vraag het hof daar, anders dan [eiser] (zie ook rov. 13 arrest) en bezien vanuit diverse invalshoeken (zie rov. 15-19 arrest), ontkennend beantwoordt (zie rov. 14 en 20 arrest). Daarmee beziet het hof dus, met inachtneming van het partijdebat, of [verweerder 3] als bestuurder van CAI aansprakelijk is (naast CAI) jegens [eiser] op de voet van art. 6:162 BW en in dat kader meer specifiek de zogeheten ‘Beklamel’-maatstaf, waarover ook rov. (10 en) 11 arrest, daarbij nagenoeg woordelijk puttend uit een Hoge Raad-arrest van 5 september 2014.Wat het subonderdeel naar de kern genomen in de eerste plaats betoogt, is dat ‘s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is voor zover het hof daar eraan voorbijziet dan wel niet kenbaar betrekt dat, zelfs als [verweerder 3] mocht vertrouwen op een totaal BVO van het pand van minimaal 380 m2, zulks niet wegneemt dat hij nog […]”
r.o. 3.5
“Het subonderdeel faalt ook in zoverre, gelet op het volgende.In rov. 15 arrest stelt het hof voorop, in cassatie onbestreden, dat in de tussen CAI en [betrokkene 2] op 31 mei 2017 tot stand gekomen doorverkoopovereenkomst als voorwaarde werd gesteld dat het totale BVO van het pand minimaal 380 m2 zou bedragen en dat op de tekeningen die op 31 mei 2017 door CAI van [eiser] zijn ontvangen een totaal BVO van 402,7 m2 is vermeld. Met dit laatste doelt het hof op de vaststelling in rov. 2 onder (vii) arrest, in cassatie eveneens onbestreden, dat op 31 mei 2017 [eiser] aanvullende informatie over het bruto vloeroppervlak (BVO), een tekening van het pand en foto’s van de inrichting aan CAI heeft gestuurd, dat op de tekening een totaal BVO van het pand van 402,7 m2 is vermeld en dat bij e-mail van diezelfde dag [verweerder 3] aan [eiser] heeft geantwoord:
“Dank je [eiser] voor de m2 (…).”
Dat “aanvullende” in rov. 2 onder (vii) arrest ziet weer op de vaststelling in rov. 2 onder (vi) arrest, in cassatie eveneens onbestreden, dat op 20 mei 2017 [verweerder 3] aan [eiser] heeft verzocht om hem een conceptovereenkomst met betrekking tot het pand te sturen, dat op verzoek van CAI [eiser] op 26 mei 2017 tekeningen van het pand aan CAI heeft gestuurd en dat [betrokkene 1] het pand in mei 2017 heeft bezichtigd. Hierbij moet nog worden bedacht dat, naar het hof vaststelt in rov. 2 onder (ii) arrest, [eiser] de eigenaar is van het pand, waarin Bavaria als huurder is gevestigd.De kernvraag […]”
r.o. 3.7
“Het subonderdeel faalt ook in zoverre, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel aanvoert dat “[b]ij gegrondbevinding van (één van) van de hiervoor aangevoerde klacht(en)” ook ’s hofs overweging in rov. 16 arrest zoals bedoeld in nr. 36 van het cassatiemiddel, “die daarop voortbouwt”, niet in stand kan blijven, strandt het subonderdeel erop dat de voorafgaande klachten in subonderdelen Ia t/m Ic en dit subonderdeel Id alle falen (zie onder 3.3-3.15 hiervoor), zodat aan de voorwaarde van de onderhavige klacht niet is voldaan. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat ’s hofs overweging in rov. 16 arrest zoals bedoeld in nr. 36 van het cassatiemiddel “daarenboven” uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting “voor zover naar het oordeel van het hof, voor bestuurdersaansprakelijkheid een persoonlijk ernstig verwijt niet voldoende is, maar [verweerder 3] “welbewust” persoonlijk ernstig verwijtbaar moet hebben gehandeld”, strandt het erop dat, anders dan het subonderdeel hier veronderstelt, het hof niet zelf uitgaat van een dergelijke rechtsregel (wat inderdaad blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting), maar slechts respondeert op een betoog van [eiser] dat ertoe strekt dat [verweerder 3] , met het accepteren namens CAI van art. 6 lid 6 van de koopovereenkomst, welbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. Dit blijkt bijvoorbeeld niet alleen: - uit rov. 10-11 arrest, waarin het hof zich moeite getroost het in algemene zin […]”
r.o. 3.17