Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 september 2022
Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige selectieve betaling bij beëindiging activiteiten
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Twee bestuurders van een B.V. zijn door het hof op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk gehouden voor onrechtmatige selectieve betaling: zij hebben de opbrengst van de activaverkoop besteed zonder rekening te houden met een grote schuldeiser, terwijl de vennootschap haar activiteiten beëindigde. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens hem is de Coral/Stalt-rechtspraak niet beperkt tot handelscrediteuren met een liquide vordering en moet het persoonlijk ernstig verwijt voor iedere bestuurder afzonderlijk worden vastgesteld. Dat verschilt van de collectieve aansprakelijkheid uit de artikelen 2:9 en 2:248 BW.
Kernoverwegingen
“Ik maak hierbij vier opmerkingen. (i) Genoemd Hoge Raad-arrest van 12 april 2019 gaat weliswaar over externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 36 Iw 1990, maar de relevantie van de overwegingen daarin als bedoeld onder 3.20.1 hiervoor is naar de aard niet beperkt tot die grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid (specifiek jegens de Ontvanger). Aan hetgeen de Hoge Raad daar uiteenzet, kan tevens relevantie toekomen waar het gaat om externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW (ook als de benadeelde schuldeiser niet de Ontvanger is), zoals in het onderhavige geval. Wat ook strookt met de Hoge Raad-arresten van 12 juni 1998 en 26 maart 2010 die hij daar noemt, alsmede met zijn rechtspraak van na 12 april 2019. Dat bij laatstgenoemde grondslag voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid vereist is dat de aangesproken bestuurder(s) in de gegeven omstandigheden van het geval een persoonlijk ernstig verwijt kan (kunnen) worden gemaakt, onderkent het hof in onder meer rov. 17 van het arrest. (ii) Uit deze overwegingen in genoemd arrest van 12 april 2019 volgt niet dat de Hoge Raad daarin alleen het oog heeft op een bepaalde categorie van schuldeisers van de vennootschap, zoals leveranciers van goederen, grondstoffen of diensten die bedoeld zijn voor het primaire bedrijfsproces van de vennootschap. Zo behoort blijkens dit arrest - zie onder 3.20.1 hiervoor - de Ontvanger ook tot die kring van schuldeisers van de vennootschap, al is de […]”
r.o. 3.20.2
“Worden door de benadeelde schuldeiser van de vennootschap twee van haar (directe) bestuurders in die hoedanigheid aangesproken tot schadevergoeding op de voet van art. 6:162 BW, dan vergt het aannemen van hun beider bestuurdersaansprakelijkheid ter zake in essentie dat ten aanzien van ieder van hen kan worden vastgesteld dat de bestuurder in de gegeven omstandigheden van het concrete geval persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De stelplicht/bewijslast ter zake rust (in beginsel) op die schuldeiser, als eisende partij. Het element “persoonlijk” drukt het individuele karakter uit van deze op onrechtmatige daad gebaseerde bestuurdersaansprakelijkheid. Te onderscheiden bij een meerhoofdig bestuur van het in beginsel niet-individuele (collectieve) karakter van bestuurdersaansprakelijkheid, met de ontsnappingsmogelijkheid van individuele disculpatie, op grond van bepalingen als art. 2:9 BW en art. 2:248 BW.”
r.o. 3.26.1
“Dit individuele karakter is door de Hoge Raad ook onderkend. Bijvoorbeeld in een arrest van 30 maart 2018 inzake externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW, waarop ook de subonderdelen wijzen: “3.3.3 Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.””
r.o. 3.26.2