← Week 38

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 september 2022

Interne bestuurdersaansprakelijkheid stichtingsbestuurder bij ontbreken statutair vereiste RvC-goedkeuring (Curaçao)

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting op Curaçao stelde haar voormalige bestuurder intern aansprakelijk op grond van artikel 2:14 (oud) BW Curaçao, omdat zij een overeenkomst sloot zonder statutair vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen. De A-G concludeert dat het hof verklaringen van commissarissen en de verweren van de bestuurder onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of een ernstig verwijt bestaat. Strijd met statutaire bepalingen is zwaarwegend, maar de drempel voor een ernstig verwijt is hoog. De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.

Kernoverwegingen

“Ik keer nu terug naar de klacht. Onder 2.11 hiervoor citeerde ik rov. 3.27-3.32 van het vonnis. M.i. valt dit oordeel van het hof, specifiek in rov. 3.29-3.31.I, niet anders te verstaan dan dat het hof daarin maar slechts ten dele respondeert op wat door [verzoekster] is aangevoerd in het kader van haar grief 9. Het hof, onderkennend dat volgens [verzoekster] zij van de RvC wel degelijk goedkeuring heeft verkregen voor het aangaan van een overeenkomst met Experientia, betrekt daar kenbaar immers slechts de e-mail van 5 mei 2017 van [de vice-voorzitter van de RvC] aan [verzoekster] met [lid van de RvC] ingekopieerd, waarop [verzoekster] onder meer heeft gewezen, en de door [verzoekster] gestelde aanwezigheid van [de vice-voorzitter van de RvC] bij de ondertekening van de overeenkomst. Daarmee slaat het hof daar in het bijzonder geen acht op wat door [verzoekster] is aangevoerd aan het slot van haar grief 9 (de passage die onder 3.4.3 hiervoor is onderstreept en de daar bedoelde productie 7), waarop zij mede voortbouwde bij pleidooi in hoger beroep. Gezien ook de gang van zaken in eerste aanleg en hoger beroep als weergegeven onder 3.4.2-3.4.7 hiervoor kon het hof dit m.i. niet zo doen, zonder nadere motivering in het licht van dat slot van grief 9 en de daar bedoelde productie 7. Daarmee gaat het hof te kort door de bocht. Het onderdeel klaagt daarover wat mij betreft terecht. Daarbij betrek ik dat niet op voorhand gegeven is dat wat [verzoekster] in dat verband heeft […]”

r.o. 3.4.8

“Blijkens rov. 3.31.I van het vonnis gaat het hof ervan uit dat de RvC, ten tijde van de door [verzoekster] gestelde goedkeuring van de RvC op 5 mei 2017 voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia en de ondertekening van die overeenkomst op 15 mei 2017, uit meer leden bestond dan [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . Zie met name de bewoordingen “aan [lid van de RvC] , een ander lid van de RvC”, “met [lid van de RvC] of een van de andere leden van de RvC” en “betrokkenheid van andere leden van de RvC dan [de vice-voorzitter van de RvC] ”. Hoe het hof hierbij komt, is mij een raadsel.”

r.o. 3.5.1

“Wat het hof overweegt in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen en rov. 3.32, eerste zin kan dan evenmin in stand blijven. Alleen al de genoemde door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden had het hof daar dan ook in ogenschouw moeten nemen. Waarbij geldt dat naar de aard daarvan toch niet op voorhand gezegd kan worden dat deze omstandigheden, in het licht van de gehele context van dit geval en alles afwegende, niet zouden kunnen afdoen aan het oordeel dat [verzoekster] een ernstig verwijt valt te maken van het door het hof aangenomen handelen van haar in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC). Het komt mij voor dat ’s hofs overweging in rov. 3.31.II, laatste zin dat SSC toen “toch al in financieel zwaar weer verkeerde” met deze omstandigheden niet, althans niet zonder meer, te rijmen valt. Deze omstandigheden zouden verder in een ander perspectief kunnen plaatsen dat de overeenkomst aanmerkelijke financiële lasten voor SSC meebracht en dat het aangaan daarvan niet bijzonder spoedeisend was, waarop het hof daar wijst.”

r.o. 3.18.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:845
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
23 september 2022
Datum publicatie
13 oktober 2022
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 2:9 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 38 van 2022

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.