← Week 43

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 oktober 2022

Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid en vennotenaansprakelijkheid bij premieplicht bedrijfstakregelingen Metaal en Techniek

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

In een zaak over de premieplicht voor bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek stellen de fondsen ook de bestuurders, een bestuurdersholding en voormalig vennoten van een vof persoonlijk aansprakelijk. De A-G acht de klachten over bestuurdersaansprakelijkheid ongegrond: een persoonlijk ernstig verwijt ontbreekt en een beroep op betalingsonmacht onder artikel 23 Wet Bpf 2000 is niet gedaan. De aansprakelijkheid van de vennoten volgt de premieplicht van de vof en kan na verwijzing alsnog aan de orde komen.

Kernoverwegingen

“Ik richt mij eerst op (het bestreden oordeel over) bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:162 BW. Daarbij stel ik voorop dat voor externe aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap op de voet van art. 6:162 BW volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad nodig is dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

r.o. 5.94

“Naar mijn mening maken de in subonderdeel 3.3 onder i-vii genoemde stellingen (zie daarover onder 5.35 en 5.38-5.41 hiervoor) dat oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Stellingen i-iii houden in dat [verweerders] noch in de arbeidsovereenkomsten noch in hun bedrijfsvoering onderscheid maken tussen werknemers die werkzaamheden uitvoeren die onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen en werknemers die werkzaamheden verrichten die daar niet onder vallen. Een persoonlijk ernstig verwijt aan [eiser 4] , [eiseres 5] en de Holding hoefde het hof volgens mij hierin niet te lezen. Voor stelling iv worden alleen vindplaatsen genoemd die in het teken van de verjaringsvraag die inmiddels geen rol meer speelt (zie daarover hierna de bespreking van onderdeel 5). Stellingen v en vi komen erop neer dat [verweerders] van 2001 tot 2005 wel betalingen aan de Fondsen hebben gedaan en dat zij in sommige arbeidsovereenkomsten (daterende uit de periode dat zij deelnamen aan de Mt-bedrijfstakregelingen) wel verwijzen naar de CAO Kleinmetaal. Die stellingen staan dus evenmin in de sleutel van een ernstig persoonlijk verwijt. In stelling vii wordt aangevoerd [verweerders] geen eenduidig standpunt hebben ingenomen over de vraag of zij onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen. Die stelling hoefde het hof naar mijn mening evenmin te begrijpen als een persoonlijk ernstig verwijt aan [eiser 4] , [eiseres 5] en de Holding.”

r.o. 5.96

“Subonderdeel 4.2 is gericht tegen het oordeel in rov. 10.8.2 dat een betwisting van [verweerders] dat zij onder de Mt-bedrijfstakregeling vallen niet als het opzettelijk verborgen houden van een schuld kan worden aangemerkt. Volgens het subonderdeel is die beslissing onjuist of onbegrijpelijk als deze zo moet worden begrepen dat [eiser 4] en/of [eiseres 5] en/of Holding niet moedwillig relevante werkingssfeer-informatie hebben achtergehouden. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat [verweerders] niet alleen hebben betwist dat zij onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen, maar, naar in subonderdeel 3.3 is aangevoerd, ook hebben geweigerd desgevraagd werkingssfeerinformatie aan de Fondsen te verstrekken, hoewel [verweerders] daartoe wel gehouden zijn. 5.106 Dit subonderdeel treft geen doel. Rov. 10.8.2 betreft de beoordeling van het betoog dat de verjaringstermijn niet is verstreken, omdat deze op grond van art. 3:321 lid 1 aanhef en sub f BW (opzettelijk verborgen houden van een schuld) is verlengd. Deze overweging staat dus niet in de sleutel van bestuurdersaansprakelijkheid. Daar komt nog bij dat een weigering om (werkingssfeer)informatie te verstrekken niet op één lijn kan worden gesteld met het moedwillig achterhouden van relevante (werkingssfeer)informatie. Het subonderdeel mist zo bezien om twee redenen feitelijke grondslag en is daarom tevergeefs voorgesteld.”

r.o. 5.102

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:976
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
28 oktober 2022
Datum publicatie
7 december 2022
Spoor
Personenvennootschappen, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Personenvennootschappen
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 43 van 2022

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.