Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 december 2023
Kerkgenootschap, artikel 2:2 BW en ontvankelijkheid bij voorlopig getuigenverhoor
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een uit zijn ambt gezette priester verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor over uitlatingen van de bisschop in een kerkelijke kwestie. De A-G concludeert dat het hof artikel 2:2 lid 2 BW heeft miskend. De civiele rechter moet bij de ontvankelijkheid toetsen of het kerkelijk statuut een voldoende gewaarborgde eigen rechtsgang biedt die eerst moet worden gevolgd. Zij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“De toegang tot de civiele rechter in kerkelijke geschillen is begrensd. De bevoegdheid van de civiele rechter wordt volgens vaste rechtspraak bepaald aan de hand van het door de eiser of verzoeker ingeroepen recht. Deze regel geldt ook voor de bevoegdheid van de civiele rechter in kerkelijke geschillen. Kerken en hun functionarissen kunnen dus op grond van art. 6:162 BW worden aangesproken. Bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm uit die bepaling dient wel rekening te worden gehouden met de kerkelijke context van het gewraakte handelen en dus ook met kerkelijk recht.”
r.o. 4.16
“Met die bevoegdheid is echter niet gegeven dat een partij ook ontvankelijk is in zijn vordering of verzoek. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en een andere (bijzondere) rechter van belang. Indien de wet een bijzondere rechtsgang heeft aangewezen, dient de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de voorgeschreven bijzondere rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, aldus de Hoge Raad in het arrest Universiteiten/SCAU. Ontbreken deze voldoende waarborgen, dan verleent de burgerlijke rechter wel aanvullend rechtsbescherming. Aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter wordt ook verleend als voor de betrokkene geen enkele mogelijkheid heeft open gestaan om het geschil aan een andere rechter voor te leggen.”
r.o. 4.17
“Op grond van het voorgaande moet de civiele rechter dus in het kader van de ontvankelijkheid beoordelen of (i) de toepasselijke regeling in het statuut niet in strijd is met bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’ in de zin van ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’ (zie hiervoor onder 4.15) en (ii) of aanvullende rechtsbescherming nodig is door de burgerlijke rechter (zie hiervoor onder 4.17) op de grond dat de interne kerkelijke rechtsgang niet met voldoende (processuele) waarborgen is omkleed. Behandeling van onderdeel 1”
r.o. 4.21