Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 maart 2023
Aanneming van werk; opschorting en verrekening; vertegenwoordigingsbevoegdheid vennoot vof zijdelings
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
- Zijdelings
Samenvatting
Bouwzaak over betaling van het restant van de aanneemsom, waarin de opdrachtgever (een vof en haar vennoten) betaling opschort wegens een gebrek. De A-G concludeert tot vernietiging, omdat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden. Het personenvennootschapsrecht speelt alleen een rol in een geciteerde hofoverweging dat elke vennoot bevoegd is de vof te verbinden (artikel 17 WvK), waardoor het werk is aanvaard.
Kernoverweging
“Het hof heeft vervolgens, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen in het tussenarrest: “4.4 Het geschil tussen partijen spitst zich in de kern toe op een discussie over meerwerk, minderwerk en gebreken. BOD heeft van de curator in het faillissement van Enicon de gestelde vordering van Enicon op [eisers] verkregen. Het gaat bij de beoordeling dus om de rechtsverhouding tussen Enicon en [eisers] kan aan BOD als cessionaris de verweermiddelen tegenwerpen die zij jegens Enicon zou hebben gehad. 4.5 Ten eerste speelt de vraag naar de uitleg van de overeenkomst tussen Enicon en [de V.O.F] Volgens BOD is sprake van een ‘open begroting’, dat wil zeggen dat opdracht is verleend op basis van een volledig gespecificeerde begroting, waardoor enerzijds posten alsnog achterwege gelaten kunnen worden (minderwerk) maar anderzijds extra posten gemakkelijk geïdentificeerd en berekend kunnen worden (meerwerk). Volgens [eisers] heeft Enicon meermaals verklaard dat de bouwkosten nooit hoger zouden zijn dan € 740.000,- ex btw en is op basis van een begroting opdracht gegeven zodat het minderwerk gemakkelijk zou kunnen worden vastgesteld indien er posten uitgehaald zouden worden. Anderzijds erkent [eisers] wel dat extra posten meerwerk kunnen vormen. De partijen zijn het dus met elkaar eens dat meerwerk en minderwerk verrekend moeten worden, zij het dat zij het niet op alle punten eens zijn over de hoogte daarvan en dat [eisers] zich er ook op heeft beroepen niet te zijn […]”
r.o. 1.18