← Week 11

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 maart 2023

Conclusie A-G: verhaalsfrustratie door cessie regresvorderingen, feitelijk bestuurderschap en schadebegroting

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een schuldeiser vordert schadevergoeding van een moedervennootschap en bestuurders wegens verhaalsfrustratie, doordat regresvorderingen van twee dochtervennootschappen via kapitaalvermindering en dividenduitkering zijn gecedeerd. Het hof wees de vordering toe op grond van artikel 6:162 BW en artikel 2:11 BW en nam feitelijk bestuurderschap aan. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de waardering van de vorderingen, het feitelijk bestuurderschap en de schadebegroting falen en strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Bij deze stand van zaken behoefde het hof in rov. 4.14, anders dan het subonderdeel betoogt, niet ook nog specifiek in te gaan op genoemde stellingname van [eiseres] en brieven van DHW: ook daarzonder is het bestreden oordeel afdoende gemotiveerd. Daarbij had het hof dus de ruimte te oordelen zoals het doet dat de onderbouwing door [eiseres] van haar verweer dat de regresvorderingen (die waren ontstaan in november 2013) in februari 2014 in het geheel geen waarde (meer) vertegenwoordigden, onvoldoende is. Hierop strandt het subonderdeel.”

r.o. 3.4.8

“Blijkens rov. 4.16-4.17 als geciteerd onder 3.8 hiervoor valt volgens het hof, in het licht van de gegeven feiten en omstandigheden alsmede het processuele debat, aan te nemen dat [eiseres 1] - bestuurd door [eiser 2] - na de beëindiging van haar statutair bestuurderschap van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] per 18 februari 2014 is voortgegaan met het in belangrijke mate (mede) bepalen van het beleid van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] dat is uitgemond in de cessies van de regresvorderingen van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] op [eiseres 1] aan [hotelexploitatie-maatschappij] op 26 februari 2014. Wat dan maakt dat [eiseres 1] als feitelijk bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] dient te worden aangemerkt ten aanzien van deze uitvoering van de besluiten tot terugbetaling en dividenduitkering in natura aan [hotelexploitatie-maatschappij] . Zoals Allgo c.s. ook heeft aangevoerd, naar het hof niet onbegrijpelijk opmaakt uit de gedingstukken. Kortom: anders dan de klacht veronderstelt, gaat het hof in het bestreden oordeel ervan uit dat [eiseres 1] ten tijde van genoemde cessies op 26 februari 2014 “feitelijk (de facto) (mede) de bestuurstaak uitoefende c.q. optrad als ware hij bestuurder” van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] .”

r.o. 3.11.2

“Daarbij verdient opmerking dat, naar het hof in rov. 4.16-4.17 onderkent en betrekt, het hier een bijzonder geval betreft. - Ten eerste was [eiseres 1] voorafgaand aan genoemde cessies, want van 15 januari 2003 tot 18 februari 2014, al gedurende een lange periode - en deels, want van 19 oktober 2011 tot 10 oktober 2013, samen met [eiser 3] - statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] . Van op zichzelf staand feitelijk bestuurderschap van [eiseres 1] ten tijde van genoemde cessies op 26 februari 2014 is dus geen sprake. - Ten tweede had [eiseres 1] in die periode als statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] al in belangrijke mate (mede) bepalende betrokkenheid bij genoemd beleid van deze vennootschappen. Dat [eiseres 1] ten tijde van genoemde cessies op 26 februari 2014 - toen [eiser 3] dus de enige statutaire bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] was - dit beleid in belangrijke mate (mede) bepaalde, staat dan evenmin op zichzelf. - Ten derde is [eiseres 1] ’s statutair bestuurderschap van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] slechts kort (want per 18 februari 2014, dus acht dagen) voor genoemde cessies op 26 februari 2014 beëindigd, waarbij zij in die hoedanigheid, als enig statutair bestuurder van Spaander en [het hotel- en restaurantbedrijf] , dus is opgevolgd door [eiser 3] . Het is dan ook laatstgenoemde - blijkens de gedingstukken familie van [eiseres 1] ’s bestuurder [eiser 2] - […]”

r.o. 3.11.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:314
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
17 maart 2023
Datum publicatie
14 april 2023
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:11 BW, 6:98 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 11 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.