Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 september 2023
Elektronische oproeping vve-vergadering en aanvang vernietigingstermijn; artikel 2:41 lid 5 BW
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een lid van een vereniging van eigenaars verzoekt vernietiging van een vergaderbesluit, maar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van een maand. De A-G concludeert dat artikel 2:41 lid 5 BW elektronische oproeping toestaat, tenzij de statuten dit expliciet uitsluiten, en dat een statutaire verzending naar de woonplaats dat niet uitsluit. Een oproep die in de spambox belandt, komt voor risico van het lid. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Uit het voorgaande leid ik af dat ‘tenzij de statuten anders bepalen’ naar de bedoeling van de wetgever inhoudt dat de statuten expliciet van de wettelijke regeling moeten afwijken. Een statutaire bepaling die inhoudt dat de oproeping naar de woonplaats moet worden gestuurd, kwalificeert dan ook niet als ‘andere bepaling’ in de zin van art. 2:41 lid 5 BW.”
r.o. 3.14
“In het onderhavige geval heeft Fresch, ten betoge dat zij niet van de vergadering kon weten, een beroep gedaan op het feit dat de e-mail van 5 juni 2020 in het spamfilter van haar algemene e-mailbox is terechtgekomen. Ik zou menen dat dit beroep haar in het kader van art. 5:130 lid 2 BW niet kan baten. Het bericht heeft haar bereikt op het moment dat zij zichzelf toegang kon verschaffen tot het bericht. Dat het zich in het spamfilter bevond, dient naar mijn mening voor haar risico te komen.”
r.o. 3.24
“De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan bijvoorbeeld het eveneens per 1 januari 2007 ingevoerde art. 2:113 lid 5 BW, behelst art. 2:41 lid 5 BW niet de constructie dat de statuten de mogelijkheid van elektronische oproeping moeten openstellen (‘De statuten kunnen bepalen’). Art. 2:41 lid 5 BW berust op het uitgangspunt dat elektronische oproeping onder de daar vermelde voorwaarden is toegestaan, tenzij de statuten deze uitdrukkelijk verbieden. Vgl. hiervoor onder 3.10-3.14.”
r.o. 4.17