← Week 35

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 september 2023

Bestuurdersaansprakelijkheid: ontzenuwing causaliteitsvermoeden en stelplicht curator bij dubieuze transacties

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een curator stelt de bestuurder en de aandeelhouder van een failliete vennootschap aansprakelijk voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW en subsidiair artikel 2:9 BW, onder meer wegens schending van de deponeringsplicht en vier dubieuze transacties. Het hof wees de vorderingen af omdat de bestuurder het causaliteitsvermoeden had ontzenuwd en de curator zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, met uitsluitend verbetering van de proceskostenveroordeling.

Kernoverwegingen

“In zijn X./Jansen q.q.-arrest (ook wel bekend als ‘Blue Tomato’) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden, daarbij voortbouwend op zijn kort daarvoor gewezen [...] /Jansen q.q.-arrest: “3.4 Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 20 oktober 2006, nr. C05/069, NJ 2007, 2). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, zoals in dit geval de weigering van de brandverzekeraar de schade van het bedrijf als gevolg van brand te vergoeden, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van art. 2:248 aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.””

r.o. 3.7.1

“Blijkens rov. 9.4.3-9.4.6 van het arrest heeft het hof dit juridische kader voor ogen. Het hof hanteert daar geen van dit kader afwijkende systematiek van stelplicht en bewijslast, evenmin in rov. 9.4.6, eerste zin. ‘s Hofs goed te volgen oordeel in rov. 9.4.3-9.4.6 komt erop neer dat de curator de door [verweerder] ter zake gestelde feiten en omstandigheden, die hier op zichzelf de conclusie kunnen dragen dat er een andere belangrijke oorzaak was van MAC’s faillissement dan [verweerder 1] in rov. 9.4.2 vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. En dat de curator evenmin [verweerder 1] heeft verweten te hebben nagelaten het intreden van die gestelde oorzaak te voorkomen. Wat in hoger beroep wel op de weg van de curator had gelegen, gegeven die door [verweerder 1] in (productie 3 bij) de memorie van grieven gestelde feiten en omstandigheden “over de oorzaken van het faillissement van MAC”. Bij welke stand van zaken geldt dat aan bewijslevering ter zake door [verweerder 1] niet wordt toegekomen. En dat, naar het hof concludeert in rov. 9.4.6, laatste zin, [verweerder 1] dus erin is geslaagd het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden te ontzenuwen. Wat weer betekent, zo vervolgt het hof terecht in rov. 9.4.7, eerste zin, dat in verband met art. 2:248 lid 1 BW de vraag aan de orde komt of de curator op zijn beurt heeft laten zien dat niettemin de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [verweerder 1] mede een […]”

r.o. 3.7.2

“Daarbij zij bedacht dat volgens art. 2:248 lid 1 BW volstaat dat de curator aannemelijk maakt dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (mede) een belangrijke oorzaak is van dit faillissement, zoals ook volgt uit genoemd juridisch kader. Daarbij zij verder bedacht dat dan weliswaar - gezien die schending van art. 2:394 BW in verbinding met art. 2:248 lid 2 BW - die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in algemene zin vaststaat, maar dit laatste goeddeels een abstract karakter heeft en niet per se elke bestuurdersgedraging in de driejaarperiode van art. 2:248 lid 6, eerste zin BW omvat. Hieruit volgt mede dat de curator dan niet eraan ontkomt die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling op basis van te stellen feiten en omstandigheden toe te spitsen op concreet doen en/of laten van de bestuurder, wil de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW het vereiste causale verband kunnen laten zien.”

r.o. 3.10.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:760
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
1 september 2023
Datum publicatie
2 oktober 2023
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:9 BW, 2:10 BW, 2:394 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarrekening
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 35 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.