Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 januari 2023
Interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens heimelijke activiteiten; uittredingsregeling certificaten en dwaling
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een van de vier oprichters van een onderneming raakt in conflict met zijn mede-partners, legt zijn bestuursfuncties neer en richt heimelijk een concurrerende onderneming op, terwijl over zijn uitkoop wordt onderhandeld. Het hof oordeelt dat de bestuurder-houdstermaatschappij intern aansprakelijk is op grond van de artikelen 2:9 en 2:8 BW en dat de achterliggende persoon hoofdelijk aansprakelijk is op grond van artikel 2:11 BW. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep en vindt het oordeel over de ernstige verwijtbaarheid niet onjuist of onbegrijpelijk.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 4 valt uiteen in vier subonderdelen die zich richten tegen rov. 3.33 en 3.36.3. Ik citeer deze overwegingen, alsook rov. 3.34:
“3.33. Het hof oordeelt hierover als volgt. MAC ID, waarvan de aandelen worden gehouden door MAC Beheer, een vennootschap van [eiser 4] , was bestuurder van Plantlab. [eiser 4] maakte onderdeel uit van het managementteam van Plantlab (…). Als door [verweerders] gesteld en door [eisers] niet betwist, staat vast dat [eiser 4] bij Plantlab aanvoerder was van het ‘marktteam’ van Plantlab en contacten onderhield met onder andere UFF en Google en andere klanten van Plantlab. Als aanvoerder van het marktteam verkeerde [eiser 4] in een bijzondere vertrouwenspositie met betrekking tot relaties en prospects van Plantlab. Voor de vraag of MAC ID haar bestuurstaak behoorlijk heeft vervuld, gaat het om feiten en omstandigheden in de periode totdat [eiser 4] zijn functies binnen Plantlab neerlegde op 14 december 2014. De activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van Plantlab (zie hiervoor rov. 3.15) in die periode zijn naar het oordeel van het hof evident in strijd met de verplichting (op straffe van aansprakelijkheid) tot behoorlijke taakvervulling, ook als op zich nog geen sprake was van ‘concurrerende activiteiten’. Het heimelijk verrichten van dergelijke activiteiten door een bestuurder is reeds op zichzelf al in strijd met artikel 2:9 BW. Daarnaast levert dit heimelijk verrichten van die activiteiten door [eiser 4] […]”
r.o. 4.95
“Het hof zet in rov. 3.32 de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid op voet van art. 2:9 BW uiteen. Tegen deze uiteenzetting richt het middel, terecht, geen klacht. De klachten richten zich dus tegen de toepassing van de norm van art. 2:9 BW in rov. 3.33.
4.100 Het persoonlijk ernstig verwijt is gelegen in de ‘activiteiten’ van [eiser 4] , omschreven als het ‘heimelijk’ achter de klanten/relaties en medewerkers van PlantLab aangaan (rov. 3.15). Deze activiteiten zijn volgens het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling. Daarnaast acht het hof, in de context van art. 2:8 BW, van belang dat [eiser 4] als aanvoerder van het marktteam in een bijzondere vertrouwenspositie met betrekking tot relaties en prospects van PlantLab verkeerde. Deze schendingen van art. 2:8 BW dienen in het arrest mede ter invulling van de norm van art. 2:9 BW. Ook daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.101 Het hof oordeelt dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt “ook als op zich nog geen sprake was van ‘concurrerende activiteiten’”. Uit die rechtsoverweging blijkt dat het hof de vraag of sprake was van concurrerende activiteiten niet relevant heeft geacht om te kunnen spreken van een persoonlijk ernstig verwijt. Voor zover de klachten voortbouwen op het feit dat [eiser 4] niet gebonden was aan enig non-concurrentiebeding of relatiebeding missen zij dus belang. Voorts gaat het middel er aan voorbij dat het ernstig verwijt […]”
r.o. 4.99
“Het persoonlijk ernstig verwijt is gelegen in de ‘activiteiten’ van [eiser 4] , omschreven als het ‘heimelijk’ achter de klanten/relaties en medewerkers van PlantLab aangaan (rov. 3.15). Deze activiteiten zijn volgens het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling. Daarnaast acht het hof, in de context van art. 2:8 BW, van belang dat [eiser 4] als aanvoerder van het marktteam in een bijzondere vertrouwenspositie met betrekking tot relaties en prospects van PlantLab verkeerde. Deze schendingen van art. 2:8 BW dienen in het arrest mede ter invulling van de norm van art. 2:9 BW. Ook daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 4.101 Het hof oordeelt dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt “ ook als op zich nog geen sprake was van ‘ concurrerende activiteiten ’”. Uit die rechtsoverweging blijkt dat het hof de vraag of sprake was van concurrerende activiteiten niet relevant heeft geacht om te kunnen spreken van een persoonlijk ernstig verwijt. Voor zover de klachten voortbouwen op het feit dat [eiser 4] niet gebonden was aan enig non-concurrentiebeding of relatiebeding missen zij dus belang. Voorts gaat het middel er aan voorbij dat het ernstig verwijt mede is gestoeld op de activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot de medewerkers van PlantLab. Dit wordt door het middel niet bestreden. 4.102 Dat het hof in rov. 3.30 oordeelt dat geen sprake was van onrechtmatige werknemersconcurrentie (door [eiser 4] als […]”
r.o. 4.100