Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 oktober 2023
Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatie keerde na een fusie een transactiesom uit aan haar leden, onder de voorwaarde dat zij na de fusie lid zouden blijven, en hield die bij vertrek in op het melkgeld. De A-G concludeert dat deze terugbetalingsverplichting een uittredingsvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW. Zij is nietig, omdat een statutaire basis ontbreekt. Ook het onthouden van een prijsverhoging aan vertrekkende leden strijdt met het gelijkheidsbeginsel van artikel 2:8 BW. Het cassatieberoep moet volgens de A-G worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen.”
r.o. 3.7.3
“Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding van een lid. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. In de Asser/Kroeze wordt art. 2:60 BW kortweg aldus geduid: “Art. 2:60 BW legt het beginsel van vrijheid van uittreding uit de coöperatie vast, maar voegt daaraan toe dat daaraan bij de statuten voorwaarden kunnen worden verbonden. Zo is dikwijls een uittreedvergoeding verschuldigd”.”
r.o. 3.7.4
“Dan resteert de vraag of de in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting” zo’n uittredingsvoorwaarde is. Bevestigende beantwoording strookt met de open formulering in art. 2:60 BW van uittredingsvoorwaarden waar het hier om kan gaan, waarvoor blijkens de parlementaire geschiedenis van deze bepaling bewust is gekozen: “Op het voetspoor van prof. Van der Grinten wensen enige leden een scherpere limitering van de toelaatbare uittredingsvoorwaarden; zij kunnen er voor gevoelen dat deze niet verder mogen gaan dan een bijdrage in een bestaand tekort en het verlies van de kapitaaldeelneming van het lid. De ondergetekende meent een dergelijke bepaling niet te moeten voorstellen. Het is mogelijk dat onder zekere omstandigheden de voorgestelde bepaling scherper zal zijn dan die, welke de bovengenoemde leden zich denken. De ondergetekende meent dat de voorgestelde redactie de rechter in de gelegenheid zal stellen tot juiste oplossingen te komen. Wanneer men een specifieke limitering in de wet opneemt, zal men niet voor alle gevallen een juiste oplossing geven. Reeds bij de totstandkoming van de Wet op de Coöperatieve Vereenigingen 1925 (Memorie van Toelichting p. 9 en Memorie van Antwoord p. 6) is van de zijde van de Regering hetzelfde betoogd”. Dit laatste wijst niet erop dat art. 2:60 BW restrictief uitgelegd moet worden. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat deze bepaling een zekere bescherming beoogt te bieden aan leden van de coöperatie, waar het gaat om voorwaarden […]”
r.o. 3.7.6