← Week 41

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 oktober 2023

Coöperatie: terugbetaling transactiesom vereist statutaire basis; handelsrente over melkgeld

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een zuivelcoöperatie zegt het lidmaatschap van een melkveehouder op en verrekent de aan hem uitgekeerde transactiesom met melkgeld op grond van een terugbetalingsbepaling in het huishoudelijk reglement. Het hof oordeelde dat die bepaling nietig is omdat een statutaire basis ontbreekt. De A-G acht dat oordeel juist op grond van de artikelen 2:27 lid 4, 2:34a en 2:53a BW. Hij concludeert tot vernietiging op het principale punt van de hoogte van de toewijzing, en tot verwerping van het incidentele beroep.

Kernoverwegingen

“’s Hofs oordeel in rov. 5.19-5.23 van het arrest heeft als premisse dat [eiser] lidmaatschap van DOC Kaas is beëindigd (zie rov. 5.13-5.18). Dit oordeel van het hof heeft mede betrekking op [eiser] betoog dat de in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting”, door het hof geciteerd in rov. 3.8, een statutaire basis mist en daarom nietig is (zie rov. 5.21). Welke terugbetalingsverplichting het hof, voor zover in het onderhavige geval relevant, in rov. 5.21, voorlaatste zin wel kortweg duidt als de uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenis om de ontvangen transactiesom terug te betalen indien een lid stopt met het leveren van melk aan de coöperatie. Het gaat daarbij meer precies, en daarop doelt het hof gezien art. 11 lid 4, eerste zin HR, om het geval waarin een lid voor 31 december 2018 ophoudt conform de reglementen van en overeenkomsten met de coöperatie melk te leveren aan de coöperatie: in dát geval dient het betreffende lid reeds ontvangen tranches van de transactiesom aan de coöperatie terug te betalen. Het hof honoreert dit betoog van [eiser] blijkens rov. 5.21, laatste zin: nu DOC Kaas ook op vragen van het hof niet duidelijk heeft gemaakt waar die basis voor terugbetaling in haar statuten kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is en dat art. 11 lid 4 HR een nietige bepaling is (zie ook rov. 5.21, eerste en tweede zin). Het hof relateert het vereiste van zo’n statutaire basis aan het bepaalde in art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a […]”

r.o. 4.5.1

“Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). Dit geldt voor art. 2:27 lid 4, aanhef en sub c BW: wordt een vereniging opgericht bij notariële akte, dan moeten de daarin vervatte statuten van de vereniging onder meer inhouden de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. Dit geldt ook voor art. 2:34a BW: verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.”

r.o. 4.5.3

“Valt die in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting” waarop het hof doelt in rov. 5.21 onder het bereik van verplichtingen respectievelijk verbintenissen in de zin van art. 2:27 lid 4, aanhef en sub c BW respectievelijk art. 2:34a BW, dan is duidelijk dat voor die “terugbetalingsverplichting” een statutaire basis is vereist. Het onderdeel stelt niet zozeer dit ter discussie, of hetgeen het hof in algemene zin overweegt over deze bepalingen in rov. 5.21, derde t/m zesde zin, als wel ’s hofs oordeel - specifiek in rov. 5.21, voorlaatste zin - dát die in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting” een statutaire basis behoeft gezien art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 BW. M.i. valt niet vol te houden dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet reeds op het bepaalde in art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW. Onder het bereik van eerstgenoemde bepaling valt immers naar de aard een door de rechtspersoon bij huishoudelijk reglement aan een lid opgelegde verbintenis jegens de rechtspersoon als aan de orde bij die in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting”, neerkomend op een verplichting van het lid tot terugbetaling aan de rechtspersoon van een incidentele bate, welke verplichting eerst ontstaat als een bepaalde omstandigheid zich voordoet., Daarbij betrek ik het volgende.”

r.o. 4.5.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:911
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 oktober 2023
Datum publicatie
7 november 2023
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:27 BW, 2:34a BW, 2:53 BW, 2:53a BW, 6:119a BW, 6:119 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 41 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.