Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 oktober 2024
Tweede fase enquête: geen wanbeleid bij governance gecertificeerde steenfabriekgroep
- Enquêterecht
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
In de tweede fase van een enquêteprocedure verzochten certificaathouders de OK wanbeleid vast te stellen, vooral over de governance rond het administratiekantoor en dubbelfuncties. De OK wees het verzoek af. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de uitleg van de gedingstukken en de motivering falen, onder meer omdat zij deels feitelijke grondslag missen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Waar de OK in rov. 4.44, eerste zin kortweg overweegt dat [eiseres] vooropstelt dat zij niet wil dat de certificering wordt opgeheven, maar wel dat de certificaathouders een meerderheid in het STAK-bestuur krijgen, doelt de OK klaarblijkelijk in het bijzonder op nrs. 75-78 van het tweedefaseverzoekschrift van [eiseres] Waar de OK in rov. 4.44, tweede zin kortweg overweegt dat volgens [eiseres] de onwil van [verweerster] om met haar te spreken over een wijziging van de governance als wanbeleid moet worden aangemerkt, doelt de OK klaarblijkelijk in het bijzonder op nrs. 69 en 79-84 van het tweedefaseverzoekschrift van [eiseres] Zie ook onder 3.4.6, aanhef en sub b.3) en sub c hiervoor. Deze uitleg door de OK van de standpunten van [eiseres] inzake de governance is m.i., mede gezien de inhoud van die nrs. 69 en 75-84, niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik ook dat de OK in nrs. 60-74 van het tweedefaseverzoekschrift van [eiseres] niet een nog weer te onderscheiden, in het kader van de wanbeleidvraag inzake governance óók voor de beoordeling relevant standpunt van [eiseres] leest noch behoefde te lezen. Zie onder 3.4.6, aanhef en sub a en sub b.1)-2) hiervoor.”
r.o. 3.4.7
“Met rov. 4.46 respondeert de OK m.i. op de in rov. 4.44, eerste zin bedoelde stellingname van [eiseres] inzake de governance. Zie onder 3.4.7 hiervoor. Ik begrijp rov. 4.46, eerste zin zo dat, ook als [eiseres] geen opheffing van de certificering nastreeft, dit en hetgeen zij verder heeft aangevoerd in nrs. 75-78 van haar tweedefaseverzoekschrift (en vervolgens ter mondelinge behandeling) niet afdoet aan de door haar bestreden bevinding van de onderzoeker dat “uit het onderzoek is gebleken dat het uiteindelijke doel van de broers is om als grootste kapitaalverschaffers per saldo weer de zeggenschap over [verweerster 1] en (daarmee) de steenfabriek te krijgen.” Gezien ook de onderbouwing door de onderzoeker van die bevinding en de inhoud van die nrs. 75-78 (en stellingen ter mondelinge behandeling), is deze sterk feitelijke constatering van de OK goed te volgen. Ik begrijp rov. 4.46, tweede zin zo dat voor zover [eiseres] in die nrs. 75-78 (en stellingen ter mondelinge behandeling) nog heeft aangestuurd op het aanbrengen van concrete verbeteringen in het STAK-bestuur via de OK in de onderhavige enquêteprocedure, dit al erop vastloopt - in lijn met rov. 3.5 van de eerstefasebeschikking - dat het daarbij gaat om de gang van zaken binnen STAK en zij niet voldoet aan het bepaalde in art. 2:344, aanhef en onder b BW, zodat in die procedure hoe dan ook niet aan de orde kan zijn welke verbeteringen in het STAK-bestuur dienen te worden aangebracht. Ook dit is goed te volgen.”
r.o. 3.4.10
“Dan resteert de in rov. 4.44, tweede zin bedoelde stellingname van [eiseres] inzake de governance. Zie onder 3.4.7 hiervoor. Daarop respondeert de OK m.i. met rov. 4.47, waarbij zij met die “voorgeschiedenis” deels voortbouwt op rov. 4.42. Eerst hier, in rov. 4.47, bereikt de OK de vraag of op het punt van de governance al dan niet sprake is van wanbeleid bij Steenfabriek c.s. Het volgens de OK niet gebleken zijn van structurele onwil bij [verweerster] om met de certificaathouders over een andere inrichting van de governance te spreken, strookt niet alleen met het onderzoeksverslag, maar ook met het partijdebat. Uit dit partijdebat blijkt eveneens dat het wel zo is dat [verweerster] niet met [eiseres] wil spreken over specifiek een wijziging van de governance die neerkomt op “de facto decertificering”, zoals vervolgens bedoeld door de OK. Dat die gerichte weigering volgens de OK niet als (onjuist beleid, laat staan) wanbeleid kan worden aangemerkt, motiveert zij daarna op overtuigende wijze. Kortom, ook dit een en ander is goed te volgen.”
r.o. 3.4.11