Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 oktober 2024
Peeters q.q./Gatzen-actie tegen vennoten van failliete vof; artikel 18 WvK
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Personenvennootschappen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
De curator in het faillissement van een vennootschap onder firma spreekt de vennoten aan op grond van onrechtmatige daad (Peeters q.q./Gatzen-actie) en wegens aanzuivering van negatieve kapitaalstanden. Het hof wijst de vorderingen af en de A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens de A-G valt een op artikel 18 WvK gebaseerde actie van de curator buiten het bereik van de Peeters q.q./Gatzen-actie. Ook de analogie met bestuurdersaansprakelijkheid uit Boek 2 BW en de administratieplicht van artikel 3:15i BW leiden niet tot toewijzing.
Kernoverwegingen
“Dit betoog van de curator overtuigt mij niet. Vooropgesteld: ik volg de curator in zoverre in zijn standpunt - zie ook diens schriftelijke toelichting, nr. 2.6 over ongerechtvaardigde verrijking als vorderingsgrondslag - dat een actie tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad wegens schuldeisersbenadeling niet ‘de alfa en de omega’ behoeft te zijn van de uit art. 68 lid 1 Fw voortvloeiende bevoegdheid van een curator om met een Peeters q.q./Gatzen-actie ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement te ageren. Maar ik zie onvoldoende goede redenen het door de curator in algemene zin gepropageerde ruime toepassingsbereik van deze actie (en dus ook de bevoegdheid daartoe van een curator) aan te nemen, of de door hem verdedigde specifiek op art. 18 WvK gebaseerde Peeters q.q./Gatzen-actie voor mogelijk te houden. Een implicatie daarvan is, kort en goed, dat als een curator art. 18 WvK in stelling wil brengen dit (in ieder geval) niet kan lopen over de route van voornoemde actie. M.i. moet vraag a dus ontkennend worden beantwoord. Daarop strandt het onderdeel dus al. Ik licht dit toe onder 3.6.5-3.6.16 hierna.”
r.o. 3.6.4
“Welnu, het voorgaande pleit m.i. in ieder geval ervoor het toepassingsbereik van de Peeters q.q./Gatzen-actie (en dus ook de bevoegdheid daartoe van een curator) in uitgangspunt en kort gezegd te beperken tot die gevallen waarin een curator ageert, via een daartoe strekkende rechtsvordering, op grond van (a) een vordering tot schadevergoeding (b) tegen een of meer derden die waren betrokken (c) bij de benadeling (door de latere gefailleerde) van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, bijvoorbeeld door (medewerking aan) onzakelijke transacties waarbij activa het vermogen van de schuldenaar verlaten. Dit is een wezenlijk andere benadering dan die waarin dit bereik zich in uitgangspunt uitstrekt tot elke (hypothetisch) denkbare actie waarbij een curator de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zou behartigen, zoals bedoeld in het onderdeel. Bij dit laatste zou de Peeters q.q./Gatzen-actie conceptueel losgezongen raken van de aangetaste boedel (waardoor de gezamenlijke schuldeisers zijn benadeeld) en herstel daarvan door tussenkomst van een curator, terwijl deze actie - gelijk de faillissementspauliana - van meet af aan toch juist dáárom scharniert. En zou, in het verlengde daarvan, het reële gevaar ontstaan dat aldus buiten de oevers wordt getreden van de aan een curator gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel als bedoeld in art. 68 lid 1 Fw. Ik kan daarvoor, het verrast eigenlijk ook niet, geen steun ontdekken in (Hoge […]”
r.o. 3.6.11
“Uit dit een en ander volgt dat de ratio van art. 18 WvK niet, ook niet mede, is gelegen in het toekennen aan de schuldeisers van een vof van specifieke vorderingen tot schadevergoeding jegens een of meer vennoten van die vof vanwege de betrokkenheid van die vennoten bij de benadeling (door die nadien gefailleerde vof) van de gezamenlijke schuldeisers van die vof in hun verhaalsmogelijkheden.”
r.o. 3.6.13