← Week 43

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 oktober 2024

Enquête: nadere onmiddellijke voorzieningen, artikel 2:8 BW en territoriale reikwijdte

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure heeft de OK nadere onmiddellijke voorzieningen (ge- en verboden met dwangsom) getroffen om de volle werking van eerder getroffen voorzieningen te waarborgen, mede jegens een bestuurder van buitenlandse dochtervennootschappen. De A-G meent dat de OK ook buiten het strikte bereik van artikel 2:8 lid 1 BW en in bijzondere omstandigheden bij buitenlandse vennootschappen zulke ordemaatregelen kan treffen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“In het kader van voornoemde regeling kan de OK veel, maar niet alles. Zo heeft zij niet in algemene zin op de voet van art. 2:349a lid 2-3 BW de bevoegdheid een onmiddellijke voorziening te treffen bij een rechtspersoon naar buitenlands recht. Iets anders is dat art. 2:344 BW, waarin Nederlandse rechtspersonen staan opgesomd waarop voornoemde afdeling van toepassing is, strikt genomen geen limitatief karakter heeft. Het voorgaande laat onverlet dat voornoemde regeling niet per definitie grensoverschrijdende werking mist, oftewel: hier past relativering. A-G Timmerman formuleerde het - treffend - aldus: “Al met al is een zekere grensoverschrijdende werking van het enquêterecht mogelijk. Voor het enquêterecht geldt het territorialiteitsbeginsel niet in zeer strikte zin. Het mag pragmatisch, d.w.z. het doel van de enquête in aanmerking nemend, worden toegepast”.”

r.o. 3.4

“Het voorgaande betekent intussen niet dat de OK op de voet van art. 2:349a lid 2 (of lid 3) BW per definitie louter onmiddellijke voorzieningen kan treffen jegens personen die, in het voorliggende geval en bezien vanuit de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête(procedure), behoren tot degenen die “krachtens de wet en de statuten” zijn betrokken bij diens organisatie in de zin van art. 2:8 lid 1 BW. Zó’n strikt regime vloeit m.i. niet voort uit deze bepalingen of art. 2:356 BW, noch uit Hoge Raad-rechtspraak ter zake. Dit valt ook goed te plaatsen in het licht van 3.3 en 3.6-3.7 hiervoor. Daaruit volgt mede dat ook buiten dit bereik van art. 2:8 lid 1 BW concrete zorgvuldigheidsnormen kunnen voortkomen uit de redelijkheid en billijkheid en uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Welke gedragsnormen, gezien ook art. 3:12 en 3:15 BW, heel wel vergelijkbaar kunnen zijn met concrete zorgvuldigheidsnormen die voortkomen uit de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid. Langs die weg kan dan eveneens sprake zijn van een relevante, mede door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding. Dit laat al zien dat de hier in aanmerking te nemen kring van betrokkenen bij de organisatie van die rechtspersoon in het concrete geval ruimer kan zijn dan de kring van degenen die vallen onder dit bereik van art. 2:8 lid 1 BW, welk bereik hier derhalve niet ‘de alfa en de omega’ is. Daarbij zij aangetekend dat zulke op art. […]”

r.o. 3.8

“Op dit een en ander sluiten de voorzieningen (i)-(ii) kenbaar aan. a. Want voorziening (i) strekt ertoe dat [eiseres 3] en [eiser 3] zich tijdelijk, vooralsnog voor de duur van het geding, onthouden van elke uitlating en gedraging, direct of via derden (onder wie hun advocaat), waarmee nog langer in twijfel wordt getrokken of wordt aangevochten de positie en bevoegdheden van de OK-bestuurder als enig bestuurder van [verweerster 2] (oftewel: dat [OK-bestuurder] , als door de OK in de juli-beschikking op de voet van art. 2:349a lid 2 BW benoemde bestuurder van [verweerster 2] , rechtens de bestuurder van [verweerster 2] is en daarbij bepaalde bevoegdheden heeft). Dit blijkt zelfs met zoveel woorden uit rov. 4 onder (i). Met deze voorziening wil de OK dus een einde maken aan dergelijke uitlatingen en gedragingen van [eiseres 3] en [eiser 3] , te bezien in het licht van rov. 3.23-3.30. b. En voorziening (ii) strekt ertoe dat [eiseres 3] en [eiser 3] tijdelijk, vooralsnog voor de duur van het geding, zonder voorafgaande toestemming van de medebestuurders binnen de desbetreffende Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschap geen mondeling of schriftelijk contact meer zoeken met (zich “wenden tot”) contractuele wederpartijen van die Duitse groepsvennootschap, en wel over onderwerpen die het bestuur van die Duitse vennootschap aangaan en van belang zijn voor [verweerster 2] . Dit laatste staat niet met zoveel woorden in rov. 4 onder (ii), maar volgt wel afdoende duidelijk uit het […]”

r.o. 3.14.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:1139
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 oktober 2024
Datum publicatie
19 november 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:349a BW, 2:8 BW, 2:344 BW, 2:356 BW, 2:345 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 43 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.