Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 november 2024
Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatie vordert van een voormalig lid een in een ledenovereenkomst bedongen uittreedvergoeding. De A-G concludeert dat een contractuele uittreedvoorwaarde zonder grondslag in de statuten in beginsel geen werking heeft, gelet op artikel 2:60 BW, en dat alleen in uitzonderlijke gevallen via artikel 2:8 lid 2 BW een uitzondering denkbaar is. Het cassatieberoep tegen het arrest, dat de vordering afwees, moet volgens de A-G worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Ik pleit ervoor, anders kennelijk dan Rensen en Cremers aldaar, de onder 3.28 hiervoor geformuleerde vraag in beginsel bevestigend te beantwoorden. Daarbij betrek ik ook het volgende. a. De vrijheid van uittreding en de mogelijkheid van aan uittreding te verbinden voorwaarden als bedoeld in art. 2:60 BW zijn, kort gezegd, terug te voeren op oude gedachten omtrent karaktertrekken van de coöperatie en inhoud van de statuten in dat verband, waarvan nooit kenbaar afscheid is genomen. Zie onder 3.5-3.18 hiervoor. Dit spreekt voor zich. b. Het vereiste van een statutaire grondslag voor dergelijke uittreedvoorwaarden rijmt verder, kort gezegd, met historische sporen van een streven naar passende gelijkheid tussen de leden in het verband van de coöperatie, gegeven ook de coöperatieve gedachte. Zie onder 3.19 hiervoor. Ook hier zijn lange lijnen te trekken, net als onder a hiervoor. Ook dit spreekt voor zich. c. De tekst van art. 2:60 BW, die aansluit op a-b hiervoor, is bovendien niet bepaald dubbelzinnig over de vereiste bron van dergelijke uittreedvoorwaarden: “bij de statuten”. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor. In het algemeen geldt in het rechtspersonenrecht toch niet dat voor “bij de statuten”, een passage die volgens mijn telling zeventig keer voorkomt in Boek 2 BW, mag worden gelezen: ‘bij de statuten, maar een contractueel beding zonder statutaire grondslag is ook prima’. Nee, dat blijkens de wet een onderwerp “bij de statuten” kan worden geregeld, wijst - behoudens […]”
r.o. 3.30
“Alleen al gelet op 3.30 onder a-g hiervoor, te meer in onderling(e) verband en samenhang, zie ik niet in hoe - behoudens daartoe strekkende wetswijziging - in uitgangspunt werking kan toekomen aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW die is vervat in een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Onder dit gesternte schijnt het tegendeel mij toe als juist: aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde komt naar geldend recht in beginsel géén werking toe. In uitzonderlijke gevallen is het dan voorstelbaar dat de regel van art. 2:60 BW dat een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling een statutaire grondslag vergt, welke regel gezien ook art. 2:25 BW in verbinding met art. 2:60 BW een dwingendrechtelijk karakter heeft, met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing kan worden gelaten zodat langs die weg in dat geval toch werking kan toekomen aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde (aangenomen, uiteraard, dat daarbij aan de overige eisen van art. 2:60 BW is voldaan). Die mogelijkheid biedt art. 2:8 lid 2 BW nu eenmaal en moet er ook zijn vanuit het oogpunt van evenwichtige rechtsbescherming en -bedeling, passend bij de redelijkheid en billijkheid als grondnorm (ook) van het rechtspersonenrecht. Voor een dergelijk uitzonderlijk geval zal evenwel de enkele omstandigheid dát sprake is van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde ontoereikend (moeten) zijn. Want niet alleen is de […]”
r.o. 3.31
“Aangenomen zal moeten worden, wil art. 2:60 BW nuttig effect sorteren, dat (in ieder geval ook) elke bepaling die aanwijsbaar (in)direct een verplichting/prestatie voor het lid koppelt aan uittreding van het lid en aldus een drempel opwerpt voor die uittreding wordt aangemerkt als een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Of dit in een concreet geval speelt, is vanzelfsprekend een kwestie van uitleg van die bepaling aan de hand van de relevante maatstaf, verweven met beoordelingen van feitelijke aard. Daarbij geldt - zie onder 3.33 hiervoor, aan het slot - dat zo’n bepaling een dergelijke voorwaarde kan opleveren, ook als de leden van de coöperatie die bepaling niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking.”
r.o. 3.37