Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 december 2024
Conclusie A-G: aansprakelijkheid (indirect) bestuurders start-up jegens investeerder, artikel 2:249 en 6:162 BW
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In deze conclusie in cassatie vorderen een investeerder en zijn holding schadevergoeding van een failliete start-up, haar bestuurders en de middellijk bestuurders wegens geschonden garanties en onrechtmatige daad, waaronder een misleidende voorstelling van zaken (artikel 2:249 BW, via artikel 2:11 BW). Het hof wees de vorderingen af, omdat de schade onvoldoende was onderbouwd en bedrog of een persoonlijk ernstig verwijt niet was gebleken. De A-G concludeert dat de klachten falen en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Kernoverwegingen
“In rov. 3.6.3 TA zet het hof dus (mede) uiteen waarom het op het punt van Bijzonder Beheer komt tot de in rov. 3.6.2 TA aangekondigde verwerping van de in rov. 3.6.1 TA bedoelde stelling van [eiseres] dat [de b.v.] door Tinker c.s. bewust is misleid (is bedrogen), dat die misleiding onrechtmatig is jegens [de b.v.] , dat [de b.v.] (ook) uit dien hoofde aanspraak maakt op schadevergoeding en dat [verweerder 3] en [verweerder 4] van die misleiding persoonlijk een ernstig verwijt treft. In rov. 3.6.3, eerste alinea, laatste zin TA oordeelt het hof (mede) dat er geen grond is om aan te nemen dat [de b.v.] op dit punt bewust zou zijn misleid. Met dit oordeel brengt het hof tot uitdrukking dat er geen grond is om aan te nemen dat zij, wat betreft het feit dat Tinker Investments was ondergebracht bij Bijzonder Beheer, door Tinker c.s. bewust op het verkeerde been is gezet (dus bewust in de veronderstelling is gebracht dat de vennootschap niet was ondergebracht bij Bijzonder Beheer). Waarom dit volgens het hof zo is, blijkt onder meer uit het daaraan voorafgaande in rov. 3.6.3, eerste alinea TA. Dit oordeel, dat naar de aard niet uitgaat van de afwezigheid van enige mededelingsplicht (ook bij de aanwezigheid daarvan kan sprake zijn van dergelijke misleiding), is zelfstandig dragend voor voornoemde verwerping en wordt in het onderdeel niet, althans zonder vrucht (zie subonderdeel 5.6), bestreden.”
r.o. 3.75.2
“Wordt het tussenarrest gelezen tegen de achtergrond van het partijdebat, in het bijzonder van deze stellingname van [eiseres] , zoals dient te geschieden, dan is duidelijk dat het hof in het tussenarrest met de verwerping van de op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen van [eiseres] (zie in het bijzonder rov. 3.2 en 3.6.1-3.6.8 TA) ook haar beroep op art. 2:249 BW bestrijkt (zie ook rov. 2.6, eerste zin EA). Welk beroep naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel in zoverre in wezen een doublure is van die op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen, waaronder de in rov. 3.6.1 TA bedoelde stelling van [eiseres] “dat [de b.v.] door Tinker c.s. bewust is misleid en dat die misleiding jegens haar onrechtmatig is” (door het hof ook vertaald als bedrog), in welk verband [verweerder 3] en [verweerder 4] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Dat het hof dit beroep niet over het hoofd ziet, blijkt ook daaruit dat [eiseres] in de passage direct voorafgaand aan het onder 3.101.2 hiervoor geciteerde randnummer (dus in nr. 119) erop wijst dat “het onrechtmatig handelen van Geïntimeerden ook, mede, [wordt] ingevuld door de norm in artt. 6:194 BW”, etc. Waarop het hof dus respondeert in rov. 3.5, tweede zin TA. Zie onder 3.100-3.100.3 hiervoor. Overigens onderkende ook de rechtbank in het tussenvonnis dit beroep van [eiseres] (rov. 3.2). 3.101.4 Wat betekent dit voor het subonderdeel? 3.101.4 Vooropgesteld: dit noemt geen enkele vindplaats in het procesdossier, kennelijk moet daarvoor […]”
r.o. 3.101.3
“Anders dan het subonderdeel poneert, beslist het hof in het tussenarrest dus wel en (in het licht van het procesdossier) afdoende kenbaar op de vorderingen van [eiseres] op de grondslag dat Tinker c.s. onrechtmatig, want in strijd met art. 2:249 BW, heeft gehandeld door de verstrekking van de cijfers in het financiële overzicht, uitmondend in verwerping van die vorderingen. 3.101.6 Dat deze verwerping onbegrijpelijk zou zijn, vindt geen rechtvaardiging in wat het subonderdeel daartoe aanvoert. Het hof verstaat het beroep van [eiseres] op art. 2:249 BW dus als zo’n doublure van haar op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen, waaronder de in rov. 3.6.1 TA bedoelde stelling van [eiseres] “dat [de b.v.] door Tinker c.s. bewust is misleid en dat die misleiding jegens haar onrechtmatig is” (door het hof ook vertaald als bedrog), in welk verband [verweerder 3] en [verweerder 4] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Ik acht die uitleg van het hof dus niet onbegrijpelijk. Bovendien: het subonderdeel betoogt niet (kenbaar) dat die uitleg onbegrijpelijk is.Het hof concludeert in rov. 3.2 TA al dat in de stellingen van [eiseres] geen grond is gelegen om Tinker c.s. (Mundilfari c.s.) jegens [eiser 1] in privé op grond van contractuele of wettelijke grondslag aansprakelijk te achten voor de schade die inzet is van het onderhavige geding. Blijkens rov. 3.6.1-3.6.8 TA leiden de door [eiseres] aangevoerde stellingen volgens het hof niet tot de gevolgtrekking dat zijdens Tinker c.s. […]”
r.o. 3.101.6