Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 december 2024
Bestuurdersaansprakelijkheid: Beklamelcriterium en wat bestuurder mocht veronderstellen over kennis schuldeiser via adviseur
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een schuldeiser die een lening verstrekte aan een vennootschap, spreekt de (middellijk) bestuurder aan op grond van onrechtmatige daad nadat de vennootschap en de garantsteller niet betalen. Het hof wees de vorderingen af omdat de bestuurder mocht veronderstellen dat de schuldeiser via haar adviseur bekend was met de financiële positie van de vennootschappen. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de ernstigverwijtmaatstaf is een open norm waarin ook deze veronderstelling van de bestuurder als omstandigheid kan meewegen.
Kernoverwegingen
“Het gaat bij die verzwaarde maatstaf voor art. 6:162 BW-bestuurdersaansprakelijkheid (in essentie: een persoonlijk ernstig verwijt) derhalve om een open norm, ingebed in de omstandigheden van het geval. Dit is niet anders ingeval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele of wettelijke verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de aangesproken bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op de in art. 2:9 lid 1, eerste zin BW vervatte gedragsnorm, een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.”
r.o. 3.7.9
“Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak het zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ ontwikkeld. Dit eist in de kern dat de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van de verbintenis in kwestie wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Bij dit criterium geldt weliswaar dat als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Maar niet onverkort: want behoudens door de bestuurder aan te voeren, rechtvaardigende of verontschuldigende, omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling al met al geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook die omstandigheden kunnen dan dus meedoen.”
r.o. 3.7.10
“Ook waar het gaat om de onder 3.7.10-3.7.11 hiervoor bedoelde gevalstypen is er, afhankelijk van de concrete casus, het specifieke verwijt dat wordt gemaakt aan het adres van de aangesproken bestuurder en het overige partijdebat, ruimte voor het als omstandigheid in aanmerking nemen van bepaalde veronderstellingen bij die bestuurder. Natuurlijk moet daarbij ook erop worden gelet op wiens weg het ligt - de benadeelde derde of de aangesproken bestuurder - in dat geval zo’n omstandigheid aan te voeren, wat contextafhankelijk is. Het komt steeds aan op de vraag of de aangesproken bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken, waarbij geldt dat niet op voorhand bepaalde omstandigheden buiten spel staan (evenmin als verzachtende dan wel verzwarende factor), en dat van-geval-tot-geval moet worden bezien welke van de daarin gegeven omstandigheden als relevant aangemerkt kunnen worden bij beantwoording van voornoemde vraag. Dit inzicht heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een constante in Hoge Raad-rechtspraak ter zake. Illustratief is het volgende citaat uit een Hoge Raad-arrest: “Onderdeel 4d komt op tegen de overweging van het hof (…) dat door ING [de benadeelde derde, A-G] niet is gesteld dat D. [de op de voet van art. 6:162 BW aangesproken bestuurder] op de hoogte was van de terugwerkende kracht tot 00:00 uur van een uit te spreken faillissement. Geklaagd wordt in de eerste plaats dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat een eventueel […]”
r.o. 3.7.12