← Week 6

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 februari 2024

Informeel samenleven, verjaring en analogie met gelijkstelling in enquêterecht (artikel 2:346 BW)

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW
  • Zijdelings

Samenvatting

De zaak gaat over de vermogensrechtelijke afwikkeling van een informeel samenleven en de verjaring van een vordering tot vergoeding voor een investering in de woning van de ander. Boek 2 speelt slechts zijdelings een rol: de A-G verwijst naar de limitatieve opsomming van artikel 2:346 BW en de gelijkstelling van kapitaalverschaffers met aandeelhouders in het enquêterecht als analogie voor het gelijkstellen van informeel samenlevenden met echtgenoten bij de verlengingsregel voor verjaring. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Als handreiking naar de praktijk wijs ik nog wel op een andere techniek – naast analoge toepassing van de verlengingsregeling voor echtgenoten en geregistreerde partners waartegen het arrest van Uw Raad uit 2019 zich niet verzet (zie randnummer 3.18 hiervoor) en die ik in een concreet geval niet zou willen uitsluiten (zie randnummer 3.24 hiervoor) en de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in uitzonderlijke gevallen (zie randnummer 3.22 hiervoor) – waarmee in dit verband ook binnen het bestaande wettelijke kader van art. 3:321 BW onder omstandigheden aan een beroep op verjaring voorbijgegaan zou kunnen worden. Ik maak daartoe een uitstapje naar het ondernemingsrecht of meer specifiek het enquêterecht. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête komt uitsluitend toe aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend. De daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW, waarin deze bevoegdheid onder meer wordt toegekend aan bepaalde aandeelhouders en certificaathouders, is limitatief. In de rechtspraak van Uw Raad is echter aanvaard dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat een verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, welk belang in zoverre op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van art. 2:346 BW dient te worden gelijkgesteld met […]”

r.o. 3.25

“Deze gelijkstellingstechniek, die voor de goede orde niet precies hetzelfde is als analoge toepassing maar daarmee uiteraard nauw verwant is en ook tot hetzelfde resultaat kan leiden, kan mijns inziens worden toegepast op art. 3:321 lid 1 en sub a en g BW. Daarmee bedoel ik dat informeel samenlevenden onder omstandigheden gelijkgesteld zouden kunnen worden met (niet van tafel en bed gescheiden) echtgenoten of geregistreerde partners in de zin van art. 3:321 lid 1 en sub a en g BW. Of in een concreet geval aanleiding bestaat voor een dergelijke gelijkstelling hangt af van alle relevante feiten en omstandigheden. Beslissend voor een dergelijke gelijkstelling lijkt mij of de betrokkenen hebben samengeleefd als waren zij (niet van tafel en bed gescheiden) echtgenoten of geregistreerde partners. Naast feitelijke omstandigheden als het hebben (gehad) van een affectieve relatie en een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding kunnen ook meer juridisch getinte omstandigheden hierbij een rol spelen, zoals of een (schriftelijke) samenlevingsovereenkomst is gesloten en of sprake is van een gemeenschappelijke woning. Als dergelijke omstandigheden aanwezig zijn, kan immers eerder aanleiding bestaan voor het op één lijn (en aldus gelijk) stellen met echtgenoten of geregistreerde partners in de zin van de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 en sub a en g BW. Enige feitenrechtspraak over verjaring bij informeel samenlevenden”

r.o. 3.26

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:139
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
9 februari 2024
Datum publicatie
7 maart 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:346 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 6 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.