Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 januari 2024
Conclusie: nietigheid of vernietigbaarheid van bestuursbesluiten bij ontslag stichtingbestuurder
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichtingbestuurder die is ontslagen, bestrijdt in cassatie de bestuursbesluiten over zijn ontslag en over een schorsing, met een beroep op nietigheid en vernietigbaarheid. De A-G concludeert tot verwerping. Hij benadrukt dat een door een onbevoegde bijeengeroepen vergadering geen geldig besluit oplevert, terwijl oproepingsgebreken tot vernietigbaarheid leiden (artikel 2:14 en 2:15 BW). Een statutair quorumvereiste hoeft de rechter niet ambtshalve toe te passen.
Kernoverwegingen
“In de systematiek van art. 2:14 BW en art. 2:15 BW bevat art. 2:14 lid 1 BW het strenge uitgangspunt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is. Dit uitgangspunt wordt in datzelfde art. 2:14 lid 1 BW evenwel meteen gerelativeerd: de nietigheid geldt niet, voor zover uit de wet iets anders voortvloeit.”
r.o. 3.4
“In het Nederlandse privaatrechtelijke rechtspersonenrecht wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het bijeenroepen van een bepaalde vergadering van een orgaan van een rechtspersoon, ook wel de ‘autorisatie’ genoemd, en anderzijds het oproepen van relevante betrokkenen tot die (bijeengeroepen) vergadering, ook wel de ‘convocatie’ genoemd. De bijeenroeping van een vergadering betreft de vaststelling dat de vergadering op een bepaald moment kan worden gehouden. De oproeping betreft de feitelijke uitnodiging aan de daartoe gerechtigde personen om aan de belegde vergadering deel te nemen. Het hof heeft in de bestreden oordelen in rov. 3.3-3.4 en 3.6 dus het oog op dit eerste, op dat bijeenroepen. Zie onder 3.17 hiervoor.”
r.o. 3.19
“Het ligt voor de hand dat als de persoon die de vergadering bijeenroept daartoe onbevoegd is, de ‘vergadering’ die vervolgens plaatsvindt in beginsel rechtens niet geldt als een vergadering van een orgaan van een rechtspersoon. En, in het logische verlengde daarvan: dat als in die ‘vergadering’ een besluit wordt genomen, er dan geen sprake kan zijn van een geldig in vergadering genomen besluit van het orgaan van de rechtspersoon. Waar er aldus geen sprake is van een geldig in vergadering genomen besluit van het orgaan van de rechtspersoon wordt ter zake evenmin toegekomen aan het schema van art. 2:15 BW, dat immers een op zich geldig besluit veronderstelt. Zie onder 3.13 hiervoor.”
r.o. 3.20