← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 april 2024

Beklamel-aansprakelijkheid indirect bestuurder na opzegging bankkrediet; conclusie strekt tot verwerping cassatie

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier sprak de indirect bestuurder van een eierhandelaar persoonlijk aan op grond van onrechtmatige daad (Beklamelcriterium), omdat die na opzegging van het bankkrediet nog eieren liet afnemen die onbetaald bleven. Het hof wees de vordering toe. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen: het hof paste het criterium juist toe en motiveerde begrijpelijk. Hij stelt verwerping van het cassatieberoep voor.

Kernoverwegingen

“Het hof sluit eveneens aan bij het ‘Beklamelcriterium’. Zie mede rov. 4.9 van het arrest, waarin het hof bovendien in noot ii verwijst naar het gelijknamige Hoge Raad-arrest uit 1989. Maar anders dan de rechtbank oordeelt het hof - zie mede rov. 4.10-4.13.3 en 4.16 - dat in de gegeven omstandigheden genoemd moment op 30 mei 2017 al was aangebroken. Daarbij betrekkend dat er in de periode vanaf deze datum geen reëel, laat staan concreet vooruitzicht meer bestond op voortzetting van de onderneming van [A] en dus ook niet op betaling van de bij [verweerster] in die periode afgenomen eieren. Bij de daar door het hof geschetste stand van zaken geldt dan dat [eiser] op 30 mei 2017 en daarna t/m 12 juni 2017, toen de eieren werden opgehaald (de laatste keer door [eiser] zelf), wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [A] de vordering van [verweerster] tot betaling van deze koopprijs niet kon voldoen en ter zake evenmin verhaal zou bieden. Dit behelst eenvoudigweg toepassing van genoemd criterium, met inachtneming van het oordeel in rov. 3.24 van het vonnis waarop het subonderdeel doelt en gewaardeerd naar de omstandigheden zoals die in hoger beroep voorlagen.”

r.o. 3.4.3

“Reeds uit dit een en ander kon het hof afleiden, gelijk het dus doet, dat [verweerster] opkwam tegen het onder 3.5.1 hiervoor bedoelde oordeel van de rechtbank. Dat uit deze stellingen van [verweerster] niet zou kunnen volgen dat dit oordeel onjuist is, valt niet in te zien. Dat ’s hofs oordeel dat [verweerster] aldus terecht is opgekomen tegen genoemd oordeel van de rechtbank onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, volgt reeds uit de behandeling van de onderdelen 2 t/m 6. Zie onder 3.7-3.20.4 hierna.”

r.o. 3.5.7

“Het persoonlijk ernstig verwijt dat [eiser] als (indirect) bestuurder van [A] te maken valt, betreft volgens het hof - zie mede rov. 4.7, 4.9-4.10, 4.13.3 en 4.16 - het afhalen van eieren door [A] bij [verweerster] in de periode tussen 30 mei 2017 en 12 juni 2017. Dáárvoor geldt, gezien de in hoger beroep gegeven omstandigheden en rov. 4.7-4.13.3, dat [eiser] toen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [A] de vordering van [verweerster] tot betaling van de koopprijs niet kon voldoen en ter zake evenmin verhaal zou bieden.”

r.o. 3.8.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:371
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
5 april 2024
Datum publicatie
8 mei 2024
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 14 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.