← Week 24

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 juni 2024

Vereenzelviging van staatsoliebedrijf en dochters met Staat Venezuela; cassatie ongegrond

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een investeerder met een onbetaald arbitraal vonnis op een staat vorderde betaling van het staatsoliebedrijf en vier dochtervennootschappen op grond van vereenzelviging met de staat. Het hof wees de vordering af; de A-G bespreekt de terughoudende Hoge Raad-rechtspraak (Rainbow, Maple Leaf) over vereenzelviging en misbruik van identiteitsverschil. Hij concludeert dat de cassatieklachten falen en strekt tot verwerping van het beroep.

Kernoverwegingen

“In rov. 3.5 van het Rainbow-arrest ging het om zo’n vereenzelviging die leidt tot uitbreiding van aansprakelijkheid van de ene naar een andere (rechts)persoon. Daarvan ga ik hierna uit. In 2016 heeft de Hoge Raad zich in het Maple Leaf-arrest - in algemene, zaakoverstijgende bewoordingen - uitgelaten over die rov. 3.5. Dit betrof ook zo’n uitbreiding van aansprakelijkheid via vereenzelviging. Ik laat de Hoge Raad aan het woord: “In het Rainbow-arrest is overwogen (rov. 3.5) dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Voorts, dat het maken van zodanig misbruik in de regel zal moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal, zo leert het arrest, dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen kan, in uitzonderlijke omstandigheden, de meest aangewezen vorm van redres zijn. Maar […]”

r.o. 3.7.2

“Daarmee bevestigde de Hoge Raad mede de lijn in rov. 3.5 van het Rainbow-arrest dat de omstandigheden van het geval zo uitzonderlijk van aard kunnen zijn (dus: gekwalificeerd uitzonderlijk) dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen, oftewel het volledig wegdenken van het identiteitsverschil, de meest aangewezen vorm van redres is (dus: gekwalificeerd aangewezen).En verder dat, waar zo’n vereenzelviging zou leiden tot uitbreiding van aansprakelijkheid van de ene naar een andere (rechts)persoon, zulke uitzonderlijke omstandigheden hoe dan ook ontbreken als sprake is van het in de voorlaatste en laatste zin van het citaat bedoelde geval. Inhoudend dat bij vereenzelviging het door de laatstgenoemde (rechts)persoon aan de schuldeiser verschuldigde bedrag op basis van die aldus uitgebreide aansprakelijkheid hoger is, of kan uitpakken, dan dat van de aanspraak die de schuldeiser heeft jegens die (rechts)persoon uit hoofde van diens eigen aansprakelijkheid (hierna: dreigende surplus-aansprakelijkheid). Daarvan wil de Hoge Raad niet weten.”

r.o. 3.7.3

“Het voorgaande onderstreept dat de Hoge Raad, zeker bij vereenzelviging voor genoemde aansprakelijkheidsdoeleinden, bepaald terughoudend is met het aanmerken van omstandigheden als zodanig uitzonderlijk van aard dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen dan de meest aangewezen vorm van redres is. Zo is uit eerdere Hoge Raad-rechtspraak in dit verband al opgemaakt, en ik haal nu Maeijer aan, dat: “de omstandigheden dat aandeelhouderschap en leiding van beide vennootschappen bij dezelfde persoon of personen berusten en dat de vennootschappen vanaf hetzelfde adres handelen, niet voldoende grondslag [vormen] voor vereenzelviging.” En: “dat kort gezegd, het enkele feit van het bepalen van het beleid ter zake van de bedrijfsactiviteiten in de dochter door de moeder, niet meebrengt dat die activiteiten daarmee bedrijfsactiviteiten van de moeder worden. (…) De door het Hof aangenomen verwevenheid kan niet leiden tot vereenzelviging van BEB [de moeder, A-G] en SBE [de dochter] in dier voege dat BEB zèlf geacht moet worden de steenfabriek te hebben geëxploiteerd met als gevolg dat BEB voor eventueel onrechtmatig handelen daarbij zonder meer en rechtstreeks aansprakelijk is.” Het gaat bij die terughoudendheid om een lange lijn in Hoge Raad-rechtspraak, waarvoor al aanknopingspunten te vinden zijn in de eerste helft van de vorige eeuw. Zo merkten Van Solinge & Nieuwe Weme op, naar aanleiding van een Hoge Raad-arrest uit 1936: “wel vereenzelviging in economische zin van enig […]”

r.o. 3.7.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:645
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
14 juni 2024
Datum publicatie
4 juli 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:64 BW, 2:175 BW, 2:24b BW, 6:162 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 24 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.