Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 juni 2024
Conclusie: ontbinding als enquêtevoorziening na wanbeleid; verzoek en tijdigheid
- Enquêterecht
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
In de tweede fase van twee enquêteprocedures stelt de OK wanbeleid vast en ontbindt zij beide vennootschappen als definitieve voorziening. In cassatie wordt geklaagd dat er geen deugdelijk en tijdig verzoek voorlag en dat ontbinding een uiterst redmiddel is. De A-G meent dat alle klachten falen en geeft toepassing van artikel 81 RO in overweging.
Kernoverwegingen
“Zoals nader uiteengezet in rov. 4.4-4.5 (met slotsom in rov. 4.6) ziet de OK geen andere wijze waarop de slepende strijd tussen partijen kan worden beëindigd dan door de ontbinding en vereffening van Casa en van Raboni op de voet van art. 2:356, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW.”
r.o. 3.2.5
“De toelichting op het onderdeel maakt de uitkomst niet anders. Ik licht dit nog kort toe, voor zover nodig. - De toelichting draait om art. 2:355 lid 1-2 BW, waarop het onderdeel sub a wijst. Ik lees in de toelichting niets specifieks over art. 282 lid 4 Rv, waarop het onderdeel sub b ziet. - Nergens in de toelichting wordt ingegaan op hetgeen de OK doet in de beschikking. Het blijft bij enkele algemene opmerkingen van juridische aard. - De toelichting merkt op dat de OK niet ambtshalve wanbeleid kan vaststellen en (eventueel) een art. 2:356 BW-voorziening kan treffen. Dat is op zichzelf juist, maar de OK houdt zich daaraan dus ook in de beschikking. Zie onder 3.4.1-3.4.2 hiervoor. - De toelichting merkt op dat het mogelijk is dat een verzoek tot het treffen van een art. 2:356 BW-voorziening nog na de tweemaandentermijn van art. 2:355 lid 2 BW wordt gedaan, als aanvankelijk slechts is verzocht wanbeleid uit te spreken en onmiddellijke voorzieningen te treffen. En dat een verzoek om ontbinding (art. 2:356 BW, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW) niet uitdrukkelijk hoeft te worden gedaan. Maar dat de verzoeker in kwestie dan wel binnen die tweemaandentermijn “enig verzoek in de tweede fase van de enquêteprocedure” moet hebben gedaan. Hier ziet de toelichting eraan voorbij dat de OK de toepassing van art. 2:356, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW op Casa en Raboni niet relateert aan enig verzoek van Lamb (c.s.), de partij die met het […]”
r.o. 3.4.4
“Daarbij zij nog het volgende bedacht. De OK kon de toepassing van art. 2:356, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW op Casa en Raboni relateren aan dit aanvullende tegenverzoek, zoals zij doet, ook al is zijdens Byblos c.s. in dit aanvullende tegenverzoek niet (ook) met zoveel woorden verzocht om ontbinding en vereffening van deze vennootschappen op de voet van genoemde bepalingen. Wel moeten voor die toepassing voldoende gronden bestaan, waarvan de OK in de motivering melding dient te maken. Zie onder 3.4.4 hiervoor. Daarvan geeft zij ruimschoots blijk in de beschikking, zie in het bijzonder rov. 4.3-4.6. Dit aanvullende tegenverzoek berustte erop, kort gezegd, dat de onderneming en het pand onder leiding van Overing konden worden verkocht. In zoverre wijkt de OK daarvan af door de ontbinding uit te spreken, waarna een vereffenaar het pand en de onderneming kan verkopen. Zij licht dit toe in rov. 4.4-4.5, waarbij zij aangetekend dat Overing inmiddels op eigen verzoek was ontheven door de OK uit zijn functie van tijdelijk bestuurder van Casa en van Raboni (zie rov. 1.14). Dit oordeel, dat voor zich spreekt, is goed te volgen en behoefde geen nadere motivering. In essentie bereikt de OK hiermee wat door Byblos c.s., althans door Byblos en [verweerder 5] , werd beoogd met dit aanvullende tegenverzoek in termen van voorzieningen: dat het pand en de onderneming verkocht konden worden onder leiding van een derde partij, zonder tegenwerking van [verweerder 1] […]”
r.o. 3.8.4