Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 januari 2024
Aansprakelijkheid veemhouder en bestuurder voor factoringfraude; zorgplicht, stelplicht en groepsaansprakelijkheid
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bank leed schade door factoringfraude bij een bananenexporteur en sprak de veemhouder, diens bestuurder en de bijbehorende vennootschappen aan op grond van onrechtmatige daad en groepsaansprakelijkheid. De A-G concludeert dat de klachten over de zorgplicht bij vermoeden van drugssmokkel en de waarheidsplicht falen. Wel slaagt de klacht over de te hoge eisen die het hof stelde aan de onderbouwing dat de bestuurder een onbetrouwbare agent introduceerde, met mogelijke verwijzing als gevolg.
Kernoverwegingen
“De eiser dient alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg (art. 150 Rv). Pas wanneer aan de stelplicht is voldaan en de gestelde feiten voldoende gemotiveerd zijn betwist, vangt de fase van bewijslevering aan. De stelplicht en de motiveringsplicht ten aanzien van de betwisting hebben een dynamisch karakter. Zij ontwikkelen zich naar gelang het verloop van het processuele debat. Ook de onderbouwing met bewijsmateriaal kan van belang zijn voor de omvang van de stelplicht en vereiste mate van motivering van de betwisting. Van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen kan niet verlangd worden dat zij, om tot dit bewijs te worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. In de literatuur is gewaarschuwd voor het ten onrechte opschroeven van de stelplicht door de rechter, waardoor niet aan bewijslevering wordt toegekomen en de waarheidsvinding in het gedrang raakt.”
r.o. 4.13
“Het hof heeft in r.o. 6.16 overwogen dat van een (rechts)persoon die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer onder omstandigheden kan worden gevergd dat zij zich de gerechtvaardigde belangen van handels-/ketenpartners/contractueel betrokken derden aantrekt, waarbij denkbaar is dat deze zorgplicht zo ver reikt dat deze actief worden gewaarschuwd voor criminele activiteiten die plaatsvinden in een bepaalde handelsketen en dat de vraag of een dergelijke zorgplicht bestaat en is geschonden moet worden beantwoord met inaanmerkingneming van alle omstandigheden van het geval. De verwijzing in de tweede zin van r.o. 6.22 naar ‘het voorgaande’ ziet klaarblijkelijk ook op deze overweging. Het hof sluit dus niet uit dat op een logistiek dienstverlener de verplichting kan rusten om zijn diensten te staken als hij vermoedt dat de handel die hij faciliteert een dekmantel vormt voor drugssmokkel. Anders dan het middelonderdeel bepleit, gaat het hof niet uit van een op de logistiek dienstverlener rustende bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de integriteit van het goederenverkeer voortvloeiend uit zijn bijzondere maatschappelijke positie. R.o. 6.16 doet denken aan de zogenaamde ‘schakeljurisprudentie’ op grond waarvan aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moet worden of een aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, al is de […]”
r.o. 4.43
“Voor de door het subonderdeel bepleite bijzondere zorgplicht van de dienstverlener voor de integriteit van het goederenverkeer bestaat mijns inziens, gelet op hetgeen UIB heeft gesteld, onvoldoende grond. De logistiek dienstverlener in algemene zin, waaraan het subonderdeel refereert, speelt niet een centrale rol in het goederenverkeer zoals een bank dat doet in het betalings- en effectenverkeer en de dienstverlening terzake. Bij internationale handel in een product als bananen kunnen diverse logistiek dienstverleners betrokken zijn. In het onderhavige geval gaat het in ieder geval om een zeevervoerder, een veemhouder en een wegvervoerder. In algemene zin blijkt niet wie daarbij de centrale speler is. Ook is zonder nadere feitelijke onderbouwing, die in de bij het subonderdeel opgegeven vindplaatsen niet wordt gegeven, niet aannemelijk dat een logistiek dienstverlener deskundiger is ten aanzien van de handel in bananen en de integriteit van de daarbij betrokken partijen dan een exporteur als EBT dat is. Evenmin kan zonder nadere toelichting, die op de opgegeven vindplaatsen ontbreekt, worden gezegd dat een logistiek dienstverlener over meer informatie over of deskundigheid ten aanzien van de door EBT verscheepte bananen of bananen in het algemeen beschikt of geacht moet worden te beschikken dan EBT zelf. Ik merk daarbij op dat tussen partijen vaststaat dat ZZC voor de inklaring, afdracht van invoerrechten, opslag en uitklaring van de bananen van EBT zorgde (zie r.o. 3.2, […]”
r.o. 4.44