← Week 39

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 september 2025

Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW na overname zorgonderneming en vrijwaring

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie in cassatie bespreekt de A-G de bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurders van een failliete zorg-B.V. op grond van artikel 2:248 BW. Het hof had kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aangenomen vanwege een verhoogde koopprijs, vervroegde aflossing van een koopsomlening, aflossing van een schuld van de verkopende stichting en een ongelimiteerde garantie. De A-G benadrukt dat de maatstaf objectief is, dat normatieve wetenschap volstaat en dat voor causaal verband een belangrijke oorzaak voldoende is. Hij concludeert dat alle klachten falen, ook in de vrijwaringszaak tegen het zorgkantoor.

Kernoverwegingen

“Het hof heeft in rov. 3.1-3.24, op basis van (in cassatie niet op juistheid te toetsen) sterk feitelijke waarderingen, uitvoerig gemotiveerd waarom het de conclusie gerechtvaardigd acht dat de bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat aannemelijk is dat dit handelen, in samenhang gelezen, een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zie onder 2.21.1 hiervoor. Het valt niet vol te houden dat het hof daarin blijk geeft van miskenning van de in rov. 3.2 vooropgestelde maatstaf, specifiek dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanreikt, reeds omdat zij zich toespitst op slechts enkele overwegingen van het hof (in rov. 3.8) die onderdeel vormen van een breder oordeel (in rov. 3.1-3.9), en de klacht daarbij voorts uit het oog verliest wat voor het hof in die overwegingen de crux is (dat het risico waaraan de bestuurders Roebia BV met hun handelwijze bloot stelden onnodig groot was, door het ontbreken van een bovengrens of andersoortige beperking van de garantie). Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking dat weliswaar (aan de bestuurders kan worden toegegeven dat) met het aangaan van de in rov. 3.8 vooropgestelde “ongelimiteerde garantie (de ‘blanco cheque’)” een zeker eigen belang van Roebia BV werd gediend, omdat de zorgovereenkomsten op naam van de stichting waren blijven staan, maar dat belang niet rechtvaardigt dat de bestuurders met hun […]”

r.o. 3.54.1

“Het subonderdeel stelt verder te hoge eisen met het betoog dat wil er sprake zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur, er minst genomen sprake moet zijn - met stelplicht en bewijslast voor de curator - van een zodanig bewustzijn van (1) de handeling zelf en (2) de nadelige gevolgen ter zake van de liquiditeitspositie, dat een redelijk denkend en redelijk handelend ondernemer zich daarvan had behoren te weerhouden. Een dergelijke subjectieve benadering vindt geen steun in het recht, want strookt niet met de objectieve invulling die pleegt te worden gegeven aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW, waarvan slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. Daarvan kan ook sprake zijn als de bestuurder niet die subjectieve wetenschap had (dat bewustzijn), maar wel normatieve wetenschap (behoren te weten). Blijkens de wetsgeschiedenis draait het bij zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling erom: dat onverantwoordelijk is gehandeld met wetenschap - objectief te bepalen - dat de schuldeisers daarvan de dupe zouden kunnen worden. (…) Van onbehoorlijke taakvervulling is in de gegeven context alleen sprake, wanneer de bestuurders onverantwoordelijk hebben gehandeld of anderszins hun taak hebben verwaarloosd, wetende - of kunnende weten - dat de schuldeisers daarvan uiteindelijk de lasten zouden moeten dragen.”

r.o. 3.89.2

“Art. 2:248 lid 1 BW vereist dat aannemelijk is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Weliswaar is voor dit oorzakelijk verband onvoldoende dat een handeling die zulk kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert als een voorwaarde voor het faillissement is te beschouwen, niet wordt gevergd dat aannemelijk is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling de enige althans overwegende (belangrijkste) oorzaak van het faillissement vormt. Het is wel nodig, maar ook voldoende, dat aannemelijk is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Overigens rusten stelplicht en bewijslast van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ingevolge art. 150 Rv op de curator. 3.150 Illustratief is de volgende passage uit de wetsgeschiedenis: Het wetsvoorstel heeft de positie van de bestuurders hier enigszins willen verlichten door de keuze van de term «belangrijke oorzaak». Die term zegt precies wat is bedoeld, niet meer en niet minder. Vergelijkt men haar met de oude tekst, dan is duidelijk dat «belangrijk» méér inhoudt dan gedeeltelijk, in die zin dat het gedrag van het bestuur in het samenstel van oorzaken bij wijze van spreken een opvallende plaats moet innemen. Onvoldoende is, wanneer dat gedrag weliswaar enigermate heeft bijgedragen tot de deconfiture, maar toch in vergelijking met de andere oorzaken een geringe rol heeft gespeeld. Aan de andere kant kan […]”

r.o. 3.149

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1045
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 september 2025
Datum publicatie
2 oktober 2025
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 6:140 BW, 6:101 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 39 van 2025

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.